Doneer aan de Mr. Hans van Mierlo Stichting

dinsdag 2 juni 2015

Historische Canon deel 7: een nieuwe fase

In 1971, vijf jaar na de oprichting, bestond D66 – niet geheel volgens plan –  nog steeds. En dus moest de partij verbreden. In het partijprogramma van ’71 zie je daar al een voorzichtige poging toe. Het beleidsplan begint met een vrij somber beeld over de vervuiling van de aarde, het gevaar van kernwapens, en armoede en honger in de wereld. De nadruk op de potentieel gevaarlijke invloed van techniek (technologie) heeft een prominente rol in de openingsalinea’s van het plan en ook verder in het programma. ‘Het werktuig van onze technische en economische macht is ons uit de hand gelopen’, staat er. Of: ‘Dezelfde verbeeldingskracht die de techniek heeft geschapen, zal nodig zijn om haar te leren beheersen en in dienst van de mensen aan te wenden’. Of, de Duits-Amerikaanse psycholoog en socioloog Erich Fromm citerend: ‘we menen dingen te moeten doen omdat ze technisch mogelijk zijn geworden’. Die zinnen voelen ook vandaag nog actueel aan.

Het beleidsplan is niet optimistisch van toon, maar straalt wel weerbaarheid uit. Er wordt een sentiment geconstateerd: mensen voelen zich machteloos en hebben het idee dat de politiek achter grootse, onvatbare ontwikkelingen aanholt, op een stroom meevaart, ‘of wij dat willen of niet’. Maar vervolgens luidt het antwoord van de schrijvers van het beleidsplan: ‘Deze redenering [over de machteloosheid van de politiek] klinkt realistisch en pragmatisch, maar zij kan leiden tot nodeloze en gevaarlijke passiviteit. Het is mogelijk de beperkte macht en invloed van de regering van Nederland in het oog te houden, en toch te streven naar fundamentele maatschappelijke veranderingen.’ Het was een politieke tijd, gegroeid uit de maakbaarheidsrevolte van de jaren zestig, waarin men geloofde dat iedere actie iets beters kon maken.

Voor D66 waren die acties in 1971 onder andere: democratisering van alle verschillende lagen van de samenleving en van de Europese politiek (het direct kiezen van het Europees parlement); betere bescherming van privacy; hervormen van onderwijs met als uitgangspunt het motto ‘een leven lang te leren’; verhoging van de AOW-uitkeringen; versnelling van de politieke integratie in Europa.

Misschien dat de slotwoorden nog wel het meest karakteriserend voor het beleidsplan uit 1971, een beleidsplan dat als je het langs het programma van D66 uit 2012 legt, in abstracto veel raakvlakken heeft: ‘[Dit beleidsplan] is het produkt, niet van een Nederlandse regering, maar van een kleine Nederlandse partij zonder geld, en zonder het enorme apparaat van deskundigheid dat voor dit werk noodzakelijk is. Dat wij zo ambitieus zijn, getuigt misschien meer van verbeelding dan van verbeeldingskracht. De taak lijkt te zwaar voor ons, misschien zelfs voor de hele Nederlandse politiek. Maar er moet aan begonnen worden’. Met het beleidsplan kreeg het appèl van ’66 een bredere betekenis, één die ging over een bepaalde houding in de politiek. Niet verbonden aan de (restanten van) een zuil, presenteerde D66 zich zo, zij het tussen de regels door, niet alleen als de partij van de staatsrechtelijke vernieuwing, maar vooral als de partij van de beweging.

Lees hier het Beleidsplan D66 – Tweede-Kamerverkiezingen 1971