Doneer aan de Mr. Hans van Mierlo Stichting

dinsdag 16 juni 2015

Iedereen een uitkering?

Is dat basisinkomen nu eigenlijk een goed idee of niet? Buiten allerlei financiële en praktische bezwaren om, menen historici Coen Brummer en Abele Kamminga dat het idee van een basisinkomen botst met liberale principes. De keuzevrijheid van de één beperkt de keuzevrijheid van een ander.

Door Coen Brummer en Abele Kamminga

Eén van de meest opvallende ontwikkelingen in het publieke debat, is de terugkeer van het basisinkomen. Een vast bedrag voor iedereen, voldoende om van te leven en vrij van verplichtingen. Daklozen, loodgieters, medisch specialisten – allemaal zouden ze ‘gratis’ geld moeten krijgen. Voorstanders zien in het basisinkomen een panacee voor vrijwel alles. Van armoede en groeiende ongelijkheid tot burn-outs en de vermeende afkalvende verzorgingsstaat. Ook onder liberalen klinken af en toe geluiden vóór het basisinkomen. Natuurlijk, het willen uitbannen van armoede is van oudsher een liberaal streven, maar moeten we iedere Nederlander dan maar een uitkering geven – ongeacht inzet en prestatie? Nee.

Het concept ‘basisinkomen’ steekt eens in de zoveel tijd de kop op. Na experimenten in de jaren zeventig onderzocht de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in 1985 het basisinkomen als alternatief voor de gangbare sociale voorzieningen. Niet veel later richtte Vlaams politiek filosoof Philippe van Parijs het Basic Income European Network op. Een club met ambitie, want in 2004 werd de organisatie herdoopt tot het Basic Income Earth Network. Het basisinkomen bracht het zelfs tot aan de onderhandelingstafel van het Paarse Kok-I, maar haalde het regeerakkoord niet [1]. Tegenwoordig pleit journalist en ‘utopist’ Rutger Bregman onvermoeibaar voor het basisinkomen, bijvoorbeeld in Gratis geld voor iedereen [2]. Zonder resultaat blijft het niet. Steeds meer gemeenten zien wel wat in een basisinkomen, al gaat het meestal om experimenten waarin bijstandsgerechtigden aan minder regels en voorwaarden hoeven te voldoen.

Waarom flirten academici, politici en opiniemakers om de zoveel tijd met het basisinkomen? Voorstanders wijzen op experimenten met gunstige uitkomsten. Vaak gaat het om experimenten in ontwikkelingslanden, waardoor ze nauwelijks iets zeggen over de Westerse wereld [3]. Voorstanders beroepen zich daarom vaak op het Mincome program [4], een Canadees onderzoek dat midden jaren zeventig werd uitgevoerd. Een kleine gemeenschap ontving vier jaar een basisinkomen, met positieve resultaten als lagere zorgkosten en een relatief kleine terugval in de arbeidsparticipatie. Toch zegt ook dit experiment weinig over het nut van het basisinkomen voor een heel land, veertig jaar later. In de eerste plaats omdat er eigenlijk geen sprake was van een basisinkomen. Alleen families zonder andere inkomsten kregen 60% van het Canadese sociale minimum. Voor elke dollar die extra werd verdiend, ging 50 cent van het basisinkomen af. Wie gingen er in dit experiment op vooruit? Vooral mensen die eerst niet in aanmerking kwamen voor welfare: ouderen, werkende armen en werkloze alleenstaande mannen. Maar belangrijker is de economische context. De gemeenschap was sterk gericht op landbouw. Ziekte, economische tegenslag of een slechte oogst betekenden een financiële ramp. Mincome gaf basale inkomenszekerheid, onafhankelijk van fluctuerende prijzen of slecht weer.

Ook zegt het experiment niets over de betaalbaarheid. De landelijke overheid financierde driekwart van het project. Bewijs dat een stelsel als dit zichzelf kan bedruipen is er dus niet. En zo ontbreekt ook informatie over de effecten op werkgelegenheid, lonen, arbeidsparticipatie, huizenprijzen of belastingheffing. Het enige dat dit soort experimenten aantoont is dat mensen aan de onderkant van de samenleving gebaat zijn bij een degelijke financiële basis. Ze zijn gezonder en gaan langer naar school. Goed om te weten, maar geen argument voor een basisinkomen voor iedereen.

Wat kost dat eigenlijk, zo’n basisinkomen? VPRO’s Tegenlicht zette enkele berekeningen op een rij. In Bregman’s scenario lopen de kosten op tot 135 miljard euro. En, let op, dit is ná aftrek van alle eventuele baten. De kosten van andere scenario’s (lagere bedragen, gelimiteerd aantal ontvangers) worden becijferd op ongeveer 30 miljard euro [5]. Ter vergelijk: op dit moment geven we 77 miljard euro uit aan alles dat met sociale zaken en werkgelegenheid te maken heeft.

Een studie uit 2015 van het Centraal Plan Bureau keek naar de effecten van het basisinkomen op de participatie [6]. Het basisinkomen bedroeg in dit geval 50% van het sociaal minimum en uitkeringsgerechtigden gingen er netto niet op voor- of achteruit. De resultaten zijn dramatisch: de arbeidsparticipatie van vrouwen met kinderen daalde met bijna 18%. De totale arbeidsparticipatie daalde met 5%. De kosten vielen zo hoog uit, dat ter compensatie een vlaktaks van 56.6% zou moeten worden ingevoerd en de arbeidskorting zou moeten worden afgeschaft. Het resultaat? Een forse lastenverzwaring, die vooral de lagere inkomens raakt [7]. Het laat zich raden waar de dalende participatie met name effect zal hebben. De gemiddelde journalist of kunstenaar werkt vast door, maar de minder gewilde banen – vuilnisman, schoonmaakster – zullen nauwelijks nog vervuld worden. Voorstanders zullen beargumenteren dat deze beroepen dan maar beter betaald moeten worden. Maar zij gaan voorbij aan het feit dat de loonkosten waarschijnlijk fors stijgen. Mensen krijgen al een vast basisbedrag, dus het werken loont minder. Door stijgende loonkosten is het voor werkgevers minder aantrekkelijk mensen in dienst te nemen. Ook kan de exportpositie verslechteren omdat productie duurder wordt. Tel daarbij op dat salarissen zwaarder belast worden om al die basisinkomens te betalen. Het is dus volstrekt onzeker wat de invoering van een basisinkomen doet met de loonkosten, de arbeidsmarkt, de prijzen en de Nederlandse concurrentiepositie. Laat staan dat dit getest kan worden in een experiment.

Eén van de aantrekkelijkste kanten van het basisinkomen is dat het een einde zou kunnen maken aan het onnodig rondpompen van geld. Toeslagen, uitkeringen, allemaal worden ze vervangen door een one size fits all-uitkering. Eenvoudig en overzichtelijk. Maar komt het basisinkomen deze belofte in praktijk na? Een onvoorwaardelijk basisinkomen, hoog genoeg om van te leven, is onbetaalbaar. Maar een basisinkomen onder het sociaal minimum zal simpelweg onvoldoende zijn voor ouderen, werklozen, gehandicapten, en andere kwetsbare groepen. Waardoor overheden zich verplicht zullen voelen het basisinkomen aan te vullen. Waardoor nieuwe regelingen nodig zullen zijn. Die weer voor meer bureaucratie zullen zorgen. De kans lijkt dus klein dat een basisinkomen daadwerkelijk doet wat het belooft. Daarbij worden de uitvoeringskosten van ons stelsel van sociale zekerheid nogal eens overschat. De totale uitvoeringskosten rond alles dat met werk en inkomen te maken heeft bedragen om en nabij de 4 miljard euro per jaar. Dat is zo’n 235 euro per Nederlander. Dit valt in het niet bij het bedrag dat nodig is om iedereen een basisinkomen te geven.

Een weinig pragmatische exercitie dus, zo’n basisinkomen. Maar de principiële bezwaren tegen een basisinkomen zijn zo mogelijk nog groter. Zeker voor liberalen. Dit begint natuurlijk bij de fundamentele vraag of mensen in beginsel verantwoordelijk zijn voor hun eigen leven of dat die verantwoordelijkheid bij de overheid ligt. Maar er is meer. De kern van de liberale politieke filosofie is het streven naar individuele vrijheid. Natuurlijk kan overheidsingrijpen de vrijheid van het individu onder bepaalde omstandigheden bevorderen, en klassiek-liberalen en sociaal-liberalen verschillen van mening over dit ‘positieve’ vrijheidsbegrip. Toch vinden de verschillende liberalen elkaar in een aantal principes, die moeilijk verenigbaar zijn met een basisinkomen.

In de eerste plaats het principe dat de noodzakelijkheid van overheidsingrijpen moet worden aangetoond. Een overheid ontleent haar bestaansrecht aan het feit dat zij diensten levert die mensen alleen of onderling niet kunnen organiseren. Beargumenteerd moet dus worden waarom de overheid zich bemoeit met mensen. Een basisinkomen beoogt het tegenovergestelde. De overheid grijpt in, ongeacht de vraag of dit noodzakelijk is. Denk bijvoorbeeld aan hogere inkomens die een basisinkomen krijgen uit algemene middelen, terwijl hier geen enkele noodzaak toe is. Een tweede principe is dat inzet en prestatie beloond moeten worden. Daarom is het belangrijk dat ‘niet-kunners’ ondersteund worden met een sociaal vangnet, maar ‘niet-willers’ geprikkeld worden om te werken. Wie onderdeel is van de samenleving, moet daar ook een bijdrage aan leveren – dat is rechtvaardig. Een basisinkomen zet dit principe op zijn kop en biedt rechten zonder plichten: iemand die geen bijdrage levert, krijgt wel een deel van wat anderen tot stand brachten dankzij individuele inzet, ambitie en talent. Dit ondermijnt het draagvlak voor de sociale zekerheid. Met een basisinkomen geeft de overheid mensen de keuze om wel, minder of niet te gaan werken, waardoor mensen die wel werken er eenvoudig van overtuigd raken dat anderen vooral profiteren van hun inspanningen.

Het derde principe is het recht op keuzevrijheid en de overtuiging dat de vrijheid van de één de vrijheid van de ander zo min mogelijk moet inperken. De forse lastenverzwaring die nodig is om het basisinkomen te betalen is een drastische en onnodige inperking van deze keuzevrijheid die vooral werkenden raakt. Alleen zij kunnen de hogere belastingen betalen die nodig zijn om iedereen een basisinkomen te geven. Over een groter deel van hun inkomen hebben zij zo minder te zeggen. Voorstanders willen nog wel eens beargumenteren dat juist een basisinkomen zorgt voor keuzevrijheid. Mensen zouden dan zelf kunnen kiezen voor betaald werk, vrijwilligerswerk of zorg voor hun omgeving. Dat klinkt sympathiek, maar vergeten wordt dat de keuzevrijheid van degene die kiest voor onbetaalde arbeid 100% gefinancierd wordt door degenen die wel werken. De keuzevrijheid van de één beperkt dus de keuzevrijheid van een ander.

Is er dan niets sympathieks te zeggen over het utopische idee van een basisinkomen? Jawel, het basisinkomen is een interessant gedachte-experiment. En de problemen die het beoogt op te lossen zijn reëel. Denk aan de hoeveelheid talent die nu onbenut blijft omdat mensen vastzitten in banen en hypotheken. Financiële zekerheid kan risicomijdende mensen net het duwtje geven waardoor ze kansen grijpen, ondernemerschap tonen en ongebaande paden betreden. Ook is het interessant om te zien wat er gebeurt als mensen in de huidige bijstand meer kunnen werken met behoud van uitkering. Of welke gevolgen het hebben van een financiële basis heeft op de gezondheid van mensen. Toch lijkt het basisinkomen niet het juiste middel deze doelen te bereiken. Een volledig basisinkomen is financieel onhaalbaar, een beperkt basisinkomen onhoudbaar, en ieder basisinkomen kent principiële bezwaren. Een hervorming van ons systeem van sociale zekerheid is noodzakelijk, maar daarin zou vooral aandacht moeten zijn voor prikkels die de participatie verhogen, de kosten verlagen en het systeem vereenvoudigen. Alleen zo komen mensen sneller aan het werk. De resultaten van experimenten in de sociale zekerheid kunnen hieraan bijdragen. Maar de uitkomst moet een stelsel zijn waarin vrijheid, rechtvaardigheid en solidariteit in balans zijn. Het onvoorwaardelijke basisinkomen – een uitkering voor iedereen – realiseert dit in ieder geval niet.

Abele Kamminga en Coen Brummer zijn historici.

Dit artikel is verschenen in de Idee nr. 2 2015, ‘De slag om duurzame energie’.

[1] Zie C. Brummer (2015). Vuile Handen; Michael Ignatieff en andere politiek denkers over de strijd tussen ideeën en macht. Amsterdam: Elsevier. p. 135 – 144.

[2] R. Bregman (2014). Gratis geld voor iedereen; en nog vijf grote ideeën die de wereld kunnen veranderen. Amsterdam: Uitgeverij de Correspondent.

[3] Zie: Tegenlicht (VPRO) op http://tegenlicht.vpro.nl/nieuws/2014/september/gratis-geld-wereldwijd.html .

[4] Evelyn L. Forget (2011). The Town with No Poverty—Using Health Administration Data to Revisit Outcomes of a Canadian Guaranteed Annual Income Field Experiment, Februari 2011, University of Manitoba (PDF).

[5] Zie Tegenlicht (VPRO) Zes rekenmodellen, http://tegenlicht.vpro.nl/nieuws/2014/september/rekenmodellen.html

[6] CPB (2015). De effectiviteit van fiscaal participatiebeleid, p. 10.

[7] Zo betoogde Bas Jacobs al eens eerder, in: Bas Jacobs, De onwenselijkheid van de vlaktaks en het basisinkomen, Follow the money, http://www.ftm.nl/column/de-onwenselijkheid-van-de-vlaktaks-en-het-basisinkomen/, maart 2014