Help ons het sociaal-liberaal gedachtegoed groot te maken

zaterdag 1 april 2017

De essentie van de vrijheid van meningsuiting

Wat zijn de grenzen van onze vrijheid om verwerpelijke meningen te verkondigen? Liberale denkers uit het verleden geven ons antwoorden, net als internationale mensenrechtenverdragen. Op die gronden moeten vrijheden van radicale salafistische organisaties worden ingeperkt.

Door Dirk Verhofstadt

Een van de cruciale, zelfs noodzakelijke elementen van een open samenleving en van een democratie is de vrijheid van meningsuiting. ‘De voornaamste functie van de vrijheid van meningsuiting ligt erin dat ze ervoor zorgt dat het mogelijk is toe te zien dat andere grondrechten en vrijheden worden nageleefd in een democratische samenleving’, aldus emeritus professor Dirk Voorhoof. Dat mensen vrij hun mening mogen uiten, staat in artikel 19 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM): ‘Een ieder heeft recht op vrijheid van mening en meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid om zonder inmenging een mening te koesteren en om door alle middelen en ongeacht grenzen inlichtingen en denkbeelden op te sporen, te ontvangen en door te geven.’ Dit recht werd ook opgenomen in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en in vrijwel alle grondwetten van de lidstaten van de Europese Unie.

Deze bepalingen ter bescherming van de vrijheid van meningsuiting vloeien voort uit het werk On Liberty van de 19e-eeuwse filosoof John Stuart Mill. In het eerste hoofdstuk van zijn beruchte boek Over de vrijheid van denken en spreken schrijft Mill het volgende: ‘Als mijn betoog enige waarde heeft, dan moet de volste vrijheid bestaan om, als punt van ethische overtuiging, elke leerstelling te belijden en te bespreken, hoe immoreel men die ook mag vinden.’ Daarmee maakt hij duidelijk dat de vrijheid van meningsuiting een voorwaarde is voor algemene menselijke vrijheid. Dat betekent dat dus ook maatschappelijk af te keuren uitspraken mogelijk moeten zijn. Toestaan dat een dergelijke immorele uitspraak wordt gedaan, betekent echter nog niet dat men het met die mening eens is.

De vrijheid om van mening te verschillen
Neem bijvoorbeeld salafisten met hun veroordeling van homoseksualiteit, hun pleidooi voor de invoering van de sharia (de islamitische wetgeving) in onze contreien, en andere uitspraken die haaks staan op onze liberale grondrechten. Dergelijke standpunten en uitspraken kunnen en moeten we afkeuren en bestrijden. Maar hen monddood maken door ze te verbieden om hun mening te uiten, gaat een brug te ver. In deze kwestie past een uitspraak die wordt toegeschreven aan de 18e-eeuwse Verlichtingsfilosoof Voltaire. Hij stelde: ‘Je hais vos idées, mais je me ferai tuer pour que vous ayez le droit de les exprimer.’ (‘Ik verafschuw uw ideeën, maar ik zal mijn leven geven voor uw recht om ze uit te drukken.’)

Ook Mill ging daar heel ver in. ‘Niemand heeft het recht een ander het woord te ontnemen op grond van zijn morele opvatting, zelfs niet als die opvatting alom gedeeld wordt’, zo schrijft hij. Dat blijkt ook uit de volgende passage in zijn boek: ‘Als de gehele mensheid met één uitzondering dezelfde mening had, terwijl die ene persoon een tegengestelde opvatting koesterde, dan zou de mensheid even weinig recht hebben om die ene persoon tot zwijgen te brengen dan hij zou hebben, als hij de macht had, om de mensheid het zwijgen op te leggen.’ ‘Elk stilleggen van een discussie is een aanmatiging van onfeilbaarheid’, concludeert Mill. Dát is de vrijheid die Mill ons heeft nagelaten: de vrijheid om van mening te verschillen.

Schadebeginsel
Wil dat nu zeggen dat de vrijheid van meningsuiting absoluut is? Zeker niet. Mill schrijft daarover het volgende: ‘De enige reden waarom men rechtmatig macht kan uitoefenen over enig ander lid van een beschaafde samenleving, tegen zijn zin, is de zorg dat anderen geen schade wordt toegebracht.’ Dit is het beruchte schadebeginsel. Mill zelf geeft in zijn boek ook het beroemde voorbeeld van de graanhandelaar die zijn pakhuis bedreigd ziet door een woedende menigte. Die menigte aansporen de graanhandelaar of zijn bezittingen aan te vallen, zou wel degelijk strafbaar moeten zijn, zegt Mill. Opruiing of bedreiging vallen dus niet onder de vrijheid van meningsuiting. Maar de neiging bestaat om dit voorbeeld te letterlijk en bovenal te ruim te nemen. Want Mill stelt niet voor niets dat beschuldigingen aan het adres van de graanhandelaar in de krant zeker niet verboden zouden mogen worden, ook niet als het mogelijke gevolg is dat de bevolking zich tegen hem keert.

Inperken van de vrijheid van meningsuiting
Wat Mill doet, is een onderscheid maken tussen het uiten van verwerpelijke ideeën die geen direct gevaar voor anderen opleveren en uitingen of handelingen die wel een direct gevaar voor anderen betekenen. Als de kans op schade aan anderen groot en onmiddellijk is, dan bestaat een grond om de vrijheid van meningsuiting in te perken. Dat is ook wat we terugvinden in rechterlijke uitspraken op nationaal en internationaal vlak. Grosso modo worden drie zaken met betrekking tot de vrijheid van meningsuiting niet aanvaard: laster en eerroof, meineed en het aanzetten tot geweld. Maar nog belangrijker is dat men het erover eens is dat dergelijke gevallen beoordeeld moeten worden door de rechterlijke macht. Niet door een ‘moreel oordeel’ van een persoon, organisatie of autoriteit die terzake geen juridische bevoegdheid heeft. Als iemand vindt dat een mening die geuit wordt lasterlijk, haatdragend of aanzettend tot geweld is, kan hij of zij een klacht indienen bij de rechtbank.

Laten we nog eens kijken naar het schadebeginsel van Mill. Buiten het voorbeeld van de graanhandelaar geeft Mill in zijn boek On Liberty geen concrete voorbeelden. Het vermoeden bestaat dat dit komt omdat hij zelf inzag dat dit onmogelijk is. Men kan geen volledig compendium van woorden, uitlatingen en handelingen aanleggen die al dan niet in aanmerking zouden komen als veroorzakers van ‘schade’. Het ging Mill trouwens niet om de uitspraak op zich, maar om een mogelijk gevaar dat het directe gevolg zou zijn van een uitlating. Het uiten van ideeën en standpunten die grof en zelfs haatdragend zijn, vormen daarom nog geen aanleiding tot het plegen van geweld. Het oproepen tot het in elkaar slaan of zelfs doden van een specifieke persoon omwille van een mening, is van een andere orde. Politie- en veiligheidsdiensten moeten dergelijke dreigementen en uitspraken opsporen en de waarschijnlijkheid van een daadwerkelijke toebrenging van schade onderzoeken.

Intolerantie niet tolereren
Dat laatste is ook nodig omdat radicale moslimleiders en hun organisaties, zoals de salafisten, niet alleen oproepen om de vrijheid van meningsuiting aan banden te leggen, maar hun volgelingen ook aansporen om onze liberale grondwaarden en zelfs onze democratie opzij te schuiven. Moeten we dan niet preventief handelen? Volgens de filosoof Karl Popper wel. Hij stelde het volgende: ‘Als we ongelimiteerd tolerant zijn, zelfs jegens hen die zelf intolerant zijn, als we niet bereid zijn een tolerante samenleving te verdedigen tegen de aanvallen van de intolerante medemens, dan zal de tolerante mens te gronde gaan, en met hem de tolerantie.’ Een democratie heeft volgens hem het recht en zelfs de plicht om zich te verzetten tegen krachten die diezelfde democratie willen vernietigen. Dergelijke krachten zou men dus kunnen verbieden en daardoor hun vrijheid van meningsuiting uitschakelen. Salafisme en uitlatingen door salafisten kan men niet verbieden. Maar salafistische organisaties wel.

Artikel 17 EVRM
Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens voorziet al in deze mogelijkheid. In artikel 17 wordt melding gemaakt van ‘een verbod op misbruik van recht’. ‘Geen der bepalingen van dit Verdrag mag worden uitgelegd als zou zij voor een Staat, een groep of een persoon het recht inhouden enige activiteit aan de dag te leggen of enige daad te verrichten met als doel de rechten of vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld teniet te doen of deze verder gaand te beperken dan bij dit Verdrag is voorzien.’ Deze zogenaamde ‘misbruikclausule’ betekent concreet dat als groepen of personen daden stellen die duidelijk tot doel hebben schade aan te brengen aan de rechten en vrijheden die zijn vastgelegd in het EVRM, of die tot doel hebben deze rechten en vrijheden van andere personen op een ontoelaatbare wijze in te perken, zij geen beroep kunnen doen op de grondrechten van het EVRM. Het Verdrag wil op die manier de democratische orde beschermen door ‘uit te sluiten dat antidemocratische krachten bescherming van het Verdrag kunnen genieten, om deze orde vervolgens enkel en alleen te ondermijnen’.

Op basis van dit artikel heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens op 12 juni 2012 Duitsland in het gelijk gesteld toen dit land de soennitisch-islamitische organisatie Hizb ut-Tahrir verbood. Deze organisatie heeft tot doel om alle moslimlanden te verenigen in één kalifaat waarin de sharia als rechtssysteem zou gelden. Ik denk dat een dergelijk verbod ook moet gelden voor salafistische organisaties die via hun radicale geloofspunten aanzetten tot aantoonbaar schadelijk gedrag, om vier redenen. Ten eerste verdedigen ze standpunten die haaks staan op onze democratie en die – als ze zouden worden toegepast – het einde ervan zouden betekenen. Ten tweede stimuleren ze onder hun geloofsgenoten een levenswijze waarbij ze zich letterlijk afkeren van onze samenleving, wat integratie en inburgering onmogelijk maakt. Ten derde nemen de meeste salafistische organisaties geen afstand van haat en geweld tegen andersgelovigen, ongelovigen en homoseksuelen, en als ze het doen, is het vaak om opportunistische redenen. Ten vierde blijkt uit de praktijk dat de plegers van terreurdaden en zelfmoordaanslagen er radicale ideeën op nahielden die ze opdeden in salafistische kringen.

Een weerbare democratie moet ruimte geven aan alle meningen, zelfs die meningen die we verwerpelijk vinden. Maar als die meningen aantoonbaar leiden tot radicale standpunten die mensen er zelfs toe aanzetten om met geweld onze samenleving te ontwrichten, dan heeft een democratie het recht en zelfs de plicht om in te grijpen teneinde haar bestaan en de veiligheid van haar burgers te waarborgen. De Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb, die in juli 2016 geconfronteerd werd met de vraag om in zijn stad een instituut voor salafisten te vestigen, zei het als volgt: ‘De rechtsstaat biedt bescherming aan alle religieuze uitingen. Maar voor diegenen die de vrijheid van religie of andere vrijheden inzetten om haat te zaaien, integratie te verhinderen of bevolkingsgroepen tegen elkaar op te zetten, is geen plaats.’

 

Dirk Verhofstadt is professor media en ethiek aan de Universiteit Gent en kernlid van de denktank Liberales.