Help ons het sociaal-liberaal gedachtegoed groot te maken

donderdag 4 mei 2017

Verlaging van de voorkeursdrempel

‘In het stemhokje maakt u het bovenste vakje rood van de partij die u zint. Dat is het vakje van de lijstaanvoerder. Kent u hem? U kent misschien zijn gezicht uit de krant of van de t.v. En al die andere personen die onder hem op de lijst staan? (…) Wie zijn het? (…) U en de parlementariër zijn vreemden voor elkaar.’ – Appèl aan iedere Nederlander die ongerust over de ernstige devaluatie van onze democratie (1966)

Door Camille Offerein

Ruim vijftig jaar geleden wezen de oprichters van D66 op de gebrekkige band tussen kiezer en gekozene in onze democratie. Sindsdien is daar geen verbetering in gekomen. Een band tussen kiezer en parlementariër schiet tekort, terwijl de laatste wel een zeer hechte band heeft met zijn partij. Die verwevenheid tussen volksvertegenwoordigers en partij(top) ondermijnt de controlerende taak ván en het vertrouwen ín het parlement. Bovendien schiet de volksvertegenwoordigende rol van het parlement hierbij tekort. Ook afgelopen verkiezingen kozen de meeste kiezers voor de lijsttrekker van de partij: 73% van de Nederlandse kiezers stemde op een lijsttrekker van één van de elf grootste partijen, terwijl slechts vier van de 150 kandidaat-Kamerleden erin geslaagd is om op basis van individueel mandaat de Kamer in te komen. Het is geen verrassing dat bijna tweederde van de Nederlandse bevolking stelt geen of weinig vertrouwen te hebben in het parlement. Het is de hoogste tijd om de band tussen kiezer en gekozene te versterken. Dit kan door de voorkeursdrempel te verlagen.

Er is een fase vóór de verkiezingen en een fase ná de verkiezingen aan te wijzen, die de gebrekkige band tussen kiezer en gekozene blootlegt. De meeste Kamerleden hebben hun zetel te danken aan vóór de verkiezingen toegewezen plaats op de kandidatenlijst van hun partij, niet aan het aantal stemmen dat persoonlijk op hen wordt uitgebracht. Bij een aantal partijen is de interne democratie weliswaar zo gestructureerd dat de leden meebeslissen over de opgestelde volgorde. Na stemming vinden echter zelden radicale verschuivingen plaats op de lijst. Bovendien is in Nederland minder dan 2% van de bevolking lid van een politieke partij. Het overgrote deel van de kiesgerechtigden oefent zo geen invloed uit op de lijstvolgorde. De loyaliteit van de gekozene ligt vervolgens vooral bij de partij; die beslist immers over zijn of haar politieke carrière.

Ook na de verkiezingen blijft de band tussen kiezer en gekozene problematisch. Illustratief is de sterke fractiediscipline, die ervoor zorgt dat de gekozene verantwoording aflegt aan de fractie in plaats van aan de kiezer. Als een Kamerlid niet stemt volgens de partijlijn heeft dit vaak politieke consequenties: een lagere positie op de lijst bij de volgende verkiezingen bijvoorbeeld. Een voorbeeld hiervan is Rendert Algra, die als Tweede Kamerlid voor het CDA enkele keren andere standpunten innam dan zijn fractiegenoten. In 2006 kwam hij op een vrijwel onverkiesbare plek (nummer 54) op de CDA-lijst te staan. Een poging om via voorkeursacties in de Kamer te komen bleek tevergeefs.

Bovengeschetste problemen zijn te doorbreken middels het verlagen van de voorkeursdrempel. Wie met voorkeursstemmen gekozen wil worden, hoeft niet het aantal stemmen dat nodig is voor een zetel te behalen. Wanneer een kandidaat 25% van de kiesdeler heeft gehaald, komt zij of hij in aanmerking voor een zetel. In de praktijk blijkt deze voorkeursdrempel echter erg hoog; de Kandidaat moet ruim 17.000 stemmen behalen en afgelopen verkiezingen slaagden slechts vier Kamerleden erin om via deze weg een zetel te bemachtigen die ze anders niet hadden gekregen. Een lagere voorkeursdrempel betekent dat minder persoonlijke stemmen vereist zijn om de lijstvolgorde zoals die door de partij is opgesteld te doorbreken. Dit leidt tot een versterking van het persoonlijke mandaat. Kandidaten zullen zich in een persoonlijke verkiezingsstrijd tot de kiezer wenden; dit draagt bij aan meer kenbare en gekende kandidaten en uiteindelijke gekozenen. Ze zullen meer dan voorheen moeite richting de kiezers moeten doen voor een zetel.

Daarnaast kan het verlagen van de voorkeursdrempel voor meer diversiteit in de Kamer zorgen. Op dit moment leveren voorkeursstemmen op bijvoorbeeld vrouwen op een lage positie op de lijst weinig op. Met het verlagen van de voorkeursdrempel zal de stem op iemand die laag op de lijst staat niet langer een weggegooide stem zijn. Dit zal de kiezer het gevoel geven dat zijn stem er daadwerkelijk toe doet en hiermee de verkiezingen verlevendigen.

Het voorstel om de voorkeursdrempel te verlagen is niet nieuw; in 2006 woedde dergelijke discussies voor het laatst in de Tweede Kamer. Namens het kabinet-Balkenende II stelde toenmalig minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties Alexander Pechtold voor de voorkeursdrempel te verlagen van 25 naar 12,5 procent. Zijn opvolger, minister Nicolaï, trok het wetsvoorstel in. Een paar jaar later werd het Burgerforum Kiesstelsel geïnstalleerd dat adviseerde om de kiezers voortaan te laten stemmen op ófwel een partij, ófwel een specifieke kandidaat. De voorkeursdrempel moest hierbij verdwijnen. Het afschaffen van de voorkeursdrempel is wellicht niet wenselijk – dit kan cliëntelisme in de hand spelen – maar het verlagen ervan is noodzakelijk om Kamerleden hun controlerende taak te doen vervullen en hun band met de kiezer te versterken. De kandidaat kan een groep kiezers aan zich binden en heeft daarmee een grotere kans om een Kamerzetel te bemachtigen. Meer dan nu het geval is, moet de (voorkeurs)stem van de kiezer worden gehoord.

De oprichters van D66 waarschuwden: ‘U en de parlementariër zijn vreemden voor elkaar’. Dit kan worden aangepakt door de voorkeursdrempel te verlagen. De doorgeschoten balans tussen parlement en regering moet worden bekritiseerd en de discussie omtrent het verlagen van de voorkeursdrempel moet opnieuw worden gevoerd.

 

Camille Offerein is stagiaire bij de Van Mierlo Stichting en studeert Internationale Betrekkingen aan de Universiteit Utrecht.