Help ons het sociaal-liberaal gedachtegoed groot te maken

maandag 24 juli 2017

‘Voltooid leven’ en relationele autonomie

Door Suzanne van den Eynden

Zwart of wit. Goed of fout. Autonomie of hulpvraag. Op het eerste gezicht elkaar uitsluitende begrippen. Toch is bij nader inzien niet altijd helemaal duidelijk waar de één ophoudt en de ander begint. In de discussie over de (on)wenselijkheid van een wet ‘voltooid leven’ speelt de laatstgenoemde vermeende tegenstelling een belangrijke rol. De spanning tussen autonomie en hulpvraag wordt vaak genoemd als bezwaar tegen een dergelijke wet, die immers gaat over situaties waarin iemand die zijn leven voltooid acht, hulp wenst van een andere persoon bij een waardige beëindiging van zijn leven. ‘En waarom zou een ander verplicht zijn om te helpen bij het realiseren van de zelfbeschikking van de één?’, vragen veel critici zich af. Een wet ‘voltooid leven’ voorziet immers in een recht op hulp bij zelfdoding. Iemand zal die hulp dus ‘moeten’ verlenen. Wat blijft er dan over van de autonomie van de hulpverlener? Bovendien toont de hulpvrager daarmee zijn afhankelijkheid van (en verbondenheid met) anderen. In hoeverre houdt autonomie als argument voor een dergelijke wet nog stand?

Met opzet spreek ik van een vermeende tegenstelling tussen autonomie en hulpvraag. De opvatting dat deze begrippen aan elkaar zijn tegengesteld komt namelijk voort uit een eenzijdige benadering van autonomie als een louter individualistisch gegeven. Vanuit dit perspectief is iemand pas autonoom wanneer hij zo min mogelijk beïnvloed wordt door anderen. De individualistisch-autonome mens maakt zijn eigen keuzes over zijn leven (en sterven) en wordt idealiter zo min mogelijk belemmerd door handelen of meningen van anderen. Deze vorm van autonomie wordt vaak beschouwd als de enige mogelijke bron voor een wens voor stervenshulp aan een persoon die zijn of haar leven ‘voltooid’ acht. Immers, een wens om te sterven op een zelfgekozen moment zonder dat er sprake is van ondraaglijk fysiek of psychisch lijden, komt voort uit de wens om het leven vorm te geven naar eigen inzicht – tot op het laatste moment. Het feit dat een wet ‘voltooid leven’ juist hulp van anderen omvat, is vanuit een individualistische benadering problematisch. Mensen willen enerzijds zelf de beschikking hebben over hun leven, maar hebben anderen daarbij hard nodig als het gaat om een waardig zelfgekozen levenseinde. De wens voor autonomie van de één wordt daarmee een inbreuk op de autonomie van de ander.

Dit is slechts één kant van het verhaal. Hedendaagse opvattingen van autonomie kennen vrijwel zonder uitzondering een bepaalde rol toe aan de sociale context waarin mensen zich bevinden. Dit is het gevolg van kritiek van vooral feministische denkers. Het begrip autonomie verdiende volgens hen een grondige make-over: mensen worden voor een belangrijk deel ‘gemaakt’ door hun omgeving, en autonomie is dan ook voornamelijk een relationeel gegeven. Mensen zijn niet selfmade; het zijn juist de sociale netwerken die vorm geven aan hun wensen, ambities, identiteit én autonomie. Volgens relationele benaderingen zijn mensen niet autonoom óndanks, maar juist dánkzij hun omgeving.

Het is precies die constatering die een uitweg biedt uit die tegenstelling tussen autonomie en hulpvraag, en de verbondenheid die deze hulpvraag impliceert. Vanuit relationele benaderingen van autonomie zijn mensen geen individuen die los van anderen tot besluiten komen en hun leven leiden. Verbondenheid is immers onvermijdelijk. Tegelijkertijd verliezen mensen die hulp ontvangen, niet per definitie hun autonomie. Vanuit een relationele benadering van autonomie is het dan ook denkbaar dat mensen autonoom tot de constatering komen dat hun leven voltooid is, en daar tegelijkertijd hulp bij verlangen; hulp die niet vanuit een opgelegde plicht wordt verleend, maar vanuit een relatie van zorg of respect. In plaats van het recht op hulp bij zelfdoding, is het binnen een relationeel kader dan ook wellicht beter te spreken van het niet verbieden van dergelijke hulp. Een ‘recht’ schept het beeld van een individu dat iets eist waar een overheid hoe dan ook aan tegemoet moet komen en past meer bij individualistische benaderingen. Een relationele benadering gaat eerder uit van beslissingen in samenspraak, met respect voor andermans perspectieven.

Of hulp bij zelfdoding het beste geboden kan worden door een levenseindebegeleider die pas op het allerlaatste moment en vanwege een specifiek verzoek tot de relationele sfeer gaat behoren, is een andere vraag. Daarnaast, en nog belangrijker, geeft relationele autonomie ook ruimte aan een belangrijk kritiekpunt op een wet ‘voltooid leven’: namelijk de rol van de sociale omgeving bij de vaststelling dat het leven voltooid is. Vooral de meer strikt-relationele benaderingen van autonomie stellen namelijk hoge eisen aan de kwaliteit van die omgeving. Omstandigheden van onderdrukking en onvrijheid kunnen de autonomie van mensen namelijk aantasten. Gebrek aan goede zorg, dagbesteding of een gevoel van respect vanuit de samenleving zouden mensen om niet-autonome redenen het idee kunnen geven dat sterven een beter alternatief is dan verder leven.

Uit relationele autonomie vloeit dus niet vanzelf een pleidooi voor een wet ‘voltooid leven’ voort. Wel maakt zij duidelijk dat hulp en autonomie wel degelijk samengaan. Het afdoen van stervenshulp bij een voltooid leven als een zuiver individualistische zaak – het recht van de één versus de plicht van de ander – doet de mensen wie het betreft, en daarmee de discussie, dan ook tekort.


Suzanne van den Eynden is filosofe, journalist en communicatieadviseur. Ze schreef een masterscriptie getiteld Voltooid leven en autonomie: een kwestie van verbondenheid? (mei 2017)

Bron afbeelding: ANP