Help ons het sociaal-liberaal gedachtegoed groot te maken

woensdag 9 augustus 2017

Recensie: De onverbeterlijke mens. Reflecties op medicalisering (2017)

Door Lars de Bruin

Onze samenleving is nog nooit zo ‘gemedicaliseerd’ geweest als vandaag. In ons dagelijkse leven zijn we zijn in ongekende mate afhankelijk van doktoren, medicijnen en behandelingen. De kosten van de zorg stijgen ieder jaar weer en ontwikkelingen in de medische technologie volgen elkaar razendsnel op, van orgaantransplantaties tot kunstmatige bevruchting en genetische modificaties. We kunnen steeds meer, en doen ook steeds meer. Met deze medische technologieën kunnen we ons leven verlengen en ‘verbeteren’. Maar staan we nog stil bij de wenselijkheid van deze vergaande medicalisering van ons leven?

Deze vraag stelt politiek wetenschapper Gerard Adelaar in zijn boek De onverbeterlijke mens: Reflecties op medicalisering. Hij doet dit vanuit een filosofisch en ideeënhistorisch perspectief, waarbij het nadrukkelijk zijn intentie is geen betoog te houden, maar om te reflecteren. Dit maakte een discussie mogelijk te midden van de tegengestelde religieuze en seculiere kampen, ‘zonder pretentie de waarheid in pacht te hebben’.

Of het boek werkelijk een reflectie is, kan betwijfeld worden. Veeleer neigt het naar een betogende cultuurkritiek op de moderne wereld, vanuit een uitgesproken conservatief gedachtegoed dat sterke bedenkingen heeft bij het vooruitgangsidee van de mens. Adelaar relativeert deze vooruitgang wanneer het gaat over ‘medicalisering’. In essentie betoogt hij dat de medische technologie de menselijke waarde aantast door een ingrijpende invloed op ons dagelijks bestaan. Zo heeft nieuwe medische technologie een uniformerende uitwerking. technologie behandelt mensen immers als modellen die aan de norm van de ideale patiënt moeten voldoen. Daarnaast streeft technologie naar de perfectionering van de mens. De mens wordt langs de meetlat van de volmaaktheid gelegd; hoe hij van nature is, is van ondergeschikt belang. Deze verbeteringsdrang mondt uiteindelijk uit in het streven naar onsterfelijkheid, een strijd tegen de dood die de waarde van het leven overschaduwt.

Aan de hand van Aldous Huxleys klassieker Brave New World rijgt Adelaar vervolgens in snel tempo voorbeelden aaneen die deze schade aan de menselijke waarde zouden illustreren. Zo beschrijft hij euthanasie als een ‘uitvloeisel van een maatschappelijk gevormde aversie tegen de ouderdom en de aftakeling’. Ook stelt hij dat kunstmatige bevruchting ouderliefde ’voorwaardelijk’ maakt, omdat kinderen niet langer als gift worden gezien, maar als ‘project’. In de beschrijving van andere verschijnselen is Adelaar even polemisch. Zo noemt hij solidariteit een ‘gewiekste bezweringsformule’, medische preventie een ‘geïnstitutionaliseerde vorm van idioterie’ en heeft hij het over ‘arbeidende ezels en consumerende apen’. De lezer die zich had voorbereid op een reflectie blijft verbaasd achter.

Adelaar geeft ons in vogelvlucht een filosofische ideeëngeschiedenis van het westerse denken over leven, van Bacon tot Nietzsche. Hij beredeneert terug vanuit de hedendaagse vermeende medicalisering en traceert de wortels hiervan in de opvattingen van vroegmoderne denkers. Hier ontstaat de vraag of het conservatieve mensbeeld van Adelaar niet neigt naar anachronisme. Kritiek op het heden wordt herleidt tot een breukvlak in het verleden waar het faliekant ‘misging’. Adelaar zeg hier zelf over: ‘juist door terug te blikken kan geconstateerd worden welke stroom een bepaalde denkrichting in gang heeft gezet’. De vraag blijft of dit voldoende rechtvaardiging biedt om moderne medische verschijnselen, zoals de QALY-maatstaf (Quality Adjusted Life Year), een economische meeteenheid om de kosten voor een gezond levensjaar per persoon te berekenen, direct te herleiden tot de denkbeelden van iemand als Thomas Hobbes, die ver leefde voordat het eerste moderne ziekenhuis het licht zag. Historische context is belangrijk. Juist daarom is het jammer dat Adelaars overzicht wordt afgesloten met Nietzsche en geen moderne denkers aan het woord laat.

Ook stelt Adelaar dat de macht van de medische markt ‘medicalisering’ verder aanzwengelt. De medische markt is dominant, niet in het minst omdat gezondheidszorg onderworpen is aan een radicaal monopolie. Dit maakt mensen sterk afhankelijk van medici. Adelaars pleidooi voor het creëren van een betere balans tussen de medische sector en de zorg van mensen zelf is sympathiek. Het is echter zonde dat hij niet concretiseert hoe hij dit voor zich ziet. Willen we ons als mensen zelf meer bekommeren om onze gezondheid, dan is er immers nogal wat verandering nodig.

Tevens betoogt hij dat de geïnstitutionaliseerde solidariteit in de verzorgingsstaat, een formeel vastgelegd recht, verdere medicalisering stimuleert. Als zorg een recht is, dan zullen mensen er ook gebruik van maken. Dit creëert tevens een plicht om solidair te zijn. Hierdoor kan een maatschappelijke druk ontstaan die mensen ‘dwingt’ om solidariteit te tonen. Dit thema van verplichte verbondenheid is uiterst relevant voor de discussie omtrent de stijgende kosten van de zorg. Adelaar verdedigt bovenstaand punt echter met het voorbeeld dat het niet-zijn van orgaandonateur je al op voorhand wordt aangerekend en je dikwijls verwijten van ‘moordenaar’ oplevert. Je kunt je afvragen of zo’n voorbeeld Adelaars punt het beste kan overbrengen.

De onverbeterlijke mens snijdt relevante thema’s aan waar we over na moeten denken, willen we de wenselijkheid van ‘medicalisering’ bepalen. Het boek daagt uit om eigen, veronderstelde ideeën nader te doordenken. Aan het begin van zijn boek sprak Adelaar de intentie uit om een dialoog aan te wakkeren. Hier is het boek, als conservatieve cultuurkritiek, veel minder in geslaagd. Adelaars roep om de betwistbaarheid van dogmatische vanzelfsprekendheden zal sociaal-liberalen weliswaar aanspreken, maar de eenzijdige uitvoering van de beoogde reflectie zal minder in de smaak vallen.


Lars de Bruin studeert geschiedenis aan de universiteit van Leiden en is stagiair bij de Mr. Hans van Mierlo Stichting.

Gerard Adelaar, De onverbeterlijke mens: Reflecties op medicalisering (Klement 2017)