Doneer aan de Mr. Hans van Mierlo Stichting

woensdag 20 december 2017

Populisme en democratie

Populisme heeft een slechte naam. Waarschuwingen voor een populistisch spook dat door de westerse wereld zou waren zijn aan de orde van de dag en worden op het hoogste niveau – van de huidige paus tot voormalig president Obama- afgegeven. Ook volgens vele wetenschappers is het een gevaar voor de liberale democratie. Maar wat is populisme, welke partijen in Nederland kunnen populistisch genoemd worden en in hoeverre houden ze er opvattingen op na die op gespannen voet staan met de liberale democratie?

Door Tjitske Akkerman

Wat is populisme?

De term populisme wordt in het publieke debat vaak gebruikt als een sleepnet waaronder zoveel gevangen wordt dat men het al naar believen kan aanprijzen of afkeuren. In de wetenschap is het begrip inmiddels aardig afgebakend en bestaat er een groeiende consensus over de minimale kenmerken. Ten eerste gaat populisme uit van een maatschappelijke en politieke kloof tussen een slechte elite en het goede volk. Populistische partijen constateren bijvoorbeeld dat er een kloof is tussen de politieke elite in Den Haag en tussen de burgers of gewone mensen in het land. Ook kunnen de pijlen gericht worden op economische elites zoals graaiende bankiers die de burger laten opdraaien voor de kosten van hun immorele gedrag. Of men keert zich tegen een culturele elite, bijvoorbeeld aangeduid als grachtengordel die profiteert van subsidies voor kunstbobo’s. Op zich is dit soort retoriek geen reden om populisme als een gevaar voor de liberale democratie te beschouwen. Pas als er een tweede belangrijk element aan toegevoegd wordt komt populisme op gespannen voet te staan met principes die in westerse democratieën van groot belang zijn. Dat tweede element behelst een alternatief idee over hoe het politieke systeem ingericht zou moeten worden. In de gezaghebbende definitie van Cas Mudde bijvoorbeeld, is sprake van een idee van democratie gebaseerd op een homogene, algemene wil van het volk. Ook Jan-Werner Müller volgt deze definitie.1 Populisten streven een democratie na gebaseerd op een homogene volkswil. Populisten wijzen daarmee een liberale opvatting van democratie af. Het liberale idee dat rechtsstaat en machtsdeling door checks and balances essentieel zijn voor bescherming van individuele vrijheden en rechten van minderheden verdraagt zich slecht met het populistische ideaal van een meerderheidsdemocratie of volksdemocratie gebaseerd op de ongedeelde wil van het volk.

Om een dergelijk politiek systeem te realiseren zullen populistische partijen politieke hervormingen nastreven die gericht zijn op herstel van volkssoevereiniteit door middel van directe vormen van democratie. Dat wil niet zeggen dat partijen die streven naar meer directe democratie per definitie populistisch zijn. Het hangt ervan of dat streven in het teken staat van een meerderheidsdemocratie of stevig ingebed is in een vertegenwoordigend systeem en de rechtsstaat. Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw is er sprake van een toename van referenda in West Europa, maar of die ontwikkeling toegeschreven kan worden aan de invloed van populistische partijen is de vraag. In Nederland was D66 zoals bekend een vroege voorvechter van politieke vernieuwing en ook Groene partijen, zoals in Nederland GroenLinks (GL), hebben geijverd voor directe democratie. Dat maakt deze partijen echter nog niet populistisch. Dat zijn ze pas als ze een populistische analyse van de maatschappij hebben, gebaseerd op de tegenstelling tussen het goede volk en de slechte elite en als aan het streven naar directe democratie een meerderheidsideaal gebaseerd op een homogene volkswil ten grondslag ligt.

Populisme wordt vaak gelijkgesteld met het gedachtegoed en beleid van radicaal rechtse partijen. Die hebben immers bij uitstek het idee dat het volk een culturele of etnische of religieuze homogeniteit toegeschreven kan worden. Het beleid dat deze partijen voorstaan staat soms op gespannen voet met liberale vrijheidsrechten.2 Toch is het belangrijk om te bedenken dat dit eerder voortkomt uit het nationalisme of het law and order denken van deze partijen dan uit populisme. Voorstellen die in strijd zijn met de godsdienstvrijheid, zoals een verbod op de bouw van minaretten of moskeeën, of met het recht op een eerlijk proces, zoals het langdurig in detentie houden van verdachten van terrorisme zonder tussenkomst van de rechter, liggen primair op het terrein van immigratie- of veiligheidsbeleid. De populistische ideeën van deze partijen gaan over hoe het politieke systeem ingericht zou moeten worden om het volk meer macht te geven. Het is belangrijk om populisme scherp af te bakenen van (radicaal) rechtse voorstellen die voortkomen uit nationalisme of autoritarisme. Radicaal linkse en rechtse partijen kunnen wat betreft immigratiebeleid of veiligheid fundamenteel verschillen ook al zijn ze beide populistisch.

Populisme in Nederland

Om het populistische gehalte van Nederlandse politieke partijen te bepalen is het dus belangrijk om naar beide elementen van de definitie te kijken: 1. maken partijen een tegenstelling tussen het goede volk en de slechte elite 2. houden ze er een ideaal op na van een democratie gebaseerd op een homogene volkswil die niet belemmerd wordt door intermediaire instituties of rechtsstaat. Populistische voorstellen voor directe democratie gaan dus gepaard met een negatieve visie op vertegenwoordigende instellingen en de rechtsstaat. Ik heb onderzoek gedaan naar het Nederlandse populisme vanaf 2002 door naar deze twee kenmerken te kijken in de verkiezingsprogramma’s van alle belangrijke partijen.3

Uit dat onderzoek blijkt dat de middenpartijen CDA, VVD, PvdA en D66 retorisch weinig populistisch zijn; ze refereren zelden naar een kloof tussen elite en volk. D66 spreekt aanvankelijk nog van ‘regentendom’, maar laat die term in de loop der tijd varen. Een populistische retoriek manifesteert zich bij uitstek aan de rechter- en linkerflank bij LPF, PVV, SP en ten dele GL. De LPF richt zich tegen de regentenklasse’’ en ‘het baantjesbolwerk in Den Haag’. De PVV keert zich met name tegen ‘progressieve elites’ of ‘de linkse kliek’. De SP richt de pijlen op ‘grootverdieners’ en ‘elites die rijker zijn na de crisis dan ervoor’. GL heeft in 2017 net als de SP scherpe kritiek op bankiers en multinationals en op ‘de achterkamertjes’ in Den Haag. Opmerkelijk is dat de populistische retoriek bij de SP niet afneemt, ook al stelde de SP zich sinds 2006 ‘gouvernementeler’ op en leek de partij zich sindsdien te matigen om regeringsdeelname mogelijk te maken.4 Opmerkelijk is ook dat GroenLinks, een partij die niet als populistisch te boek staat, een scherpe koerswijziging ingezet heeft qua populistische retoriek in 2017. Een populistische retoriek blijkt dus zowel aan de rechter-als de linkerflank te vinden.

Populistisch ideaal van democratie

Is het nu zo dat de partijen die zich retorisch het meest profileren als populistisch (dus voldoen aan het eerste kenmerk) ook de partijen zijn die een democratie nastreven waarin de volkswil centraal staat? D66 springt er uit als een partij die retorisch weinig populistisch is, maar die tegelijk van alle partijen de meest uitgesproken voorstander is van meer directe democratie. De partij doet echter ook in toenemende mate voorstellen voor versterking van de rechtsstaat en kan zeker niet als onversneden voorstander van een populistisch ideaal van democratie aangemerkt worden. Aan de flanken zijn GL, SP en PVV uitgesproken voorstanders van directe democratie, maar GL en SP zijn in tegenstelling tot de PVV ook uitgesproken in hun voorkeur voor een vertegenwoordigende democratie en rechtsstaat. GL en SP pleiten bijvoorbeeld voor meer geld voor de rechterlijke macht, effectievere rechtsbijstand en een toetsingsmogelijkheid aan de grondwet of uitbreiding van Artikel 1 van de grondwet. Ook versterking van de Tweede Kamer wordt regelmatig bepleit door beide partijen. Het ideaal van een democratie gebaseerd op een volkswil die niet belemmerd wordt door intermediaire instituties of rechtsstaat is alleen te vinden bij de PVV. De PVV is voor bindende referenda, een gekozen minister-president, afschaffing van de Eerste Kamer en afslanking van de Tweede Kamer en voor gekozen rechters of leden van de Hoge Raad.

Na 2016, het jaar van het Brexit referendum en het referendum over het associatieverdrag van de EU met de Oekraine nemen de aarzelingen bij de meeste partijen ten aanzien van referenda sterk toe. Opvallend is ook dat de meeste partijen – met uitzondering van de PVV – zich vooral in 2017 als verdedigers van de rechtsstaat opwerpen. Dat zou een uitdrukking kunnen zijn van een toenemende zorg over de populistische bedreiging van de rechtsstaat, door onder meer de ontwikkelingen in Hongarije en Polen – waar populistische partijen de rechtsstaat zwaar onder druk zetten – en de overwinning van de populistische presidentskandidaat Donald Trump. Ook speelt een rol dat na de jarenlange bezuinigingen onder druk van de financiële crisis sommige partijen de tijd gekomen achten om nu weer te investeren in de rechterlijke macht en in een effectieve toegang van burgers tot de rechter.

Samenvattend kan geconcludeerd worden dat er ondanks een stevige populistische retoriek bij de linkse partijen SP en GL, deze partijen aan de linkerflank zich tegelijk opwerpen als verdedigers van een liberale democratie. Daarbij is GL recent terughoudender geworden dan de SP wat betreft het streven naar meer directe democratie, maar de SP is behalve pleitbezorger van referenda ook gehecht aan de vertegenwoordigende instituties en de rechtsstaat. Ter linkerzijde vinden we dus wel populistische retoriek , maar geen voorstellen richting een meerderheidsideaal of volksdemocratie. De PVV is de enige partij die onversneden populistisch is.

Conclusies

Er is een toenemend populisme in retorische zin aan de uiterste flanken na 2002. PVV, SP en recent ook GL (in 2017) zetten de tegenstelling tussen gewone mensen en de elites in Den Haag, de Zuidas of Brussel flink aan. Dat betekent nog niet dat hierdoor de liberale democratie onder toenemende druk staat. Als het gaat om voorstellen en beleid gericht op een inrichting van het politieke systeem die de volkswil ruim baan geeft, zijn SP en GL niet populistisch te noemen. Ze zijn (of waren wat betreft GL) weliswaar voorstanders van meer directe democratie, maar ze zijn ook uitgesproken voorstanders van een liberale democratie. Alleen de PVV is een onversneden populistische partij. Tegenover het populisme van de PVV staat echter dat de reserves ten aanzien van meer directe democratie bij veel partijen toenemen en dat het belang van versterking van de rechtsstaat aan gewicht wint.


Tjitske Akkerman is universitair docent verbonden aan de Afdeling Politicologie van de UvA.

 

1 C. Mudde (2007). Populist radical right parties in Europe. Cambridge: Cambridge University Press; J.W Müller, What Is Populism? Philadelphia, University of Pennsylvania Press, 2016

2 Zie T.Akkerman, ‘Populist parties in power and their impact on liberal democracies in Western Europe’ in R.C.Heinisch, C.Holtz-Bacha, O. Mazzoleni (eds) Political Populism. A Handbook. Baden-Baden; Nomos, p.169-181

3 Zie T. Akkerman, ‘Populisme in Nederland na 2002. Een bedreiging voor de liberale democratie?’ in Jaarboek Parlementaire Geschiedenis 2017. Het volk spreekt. Amsterdam: Boom, p.73-83

4 S.L.de Lange en M. Rooduijn, ‘Een populistische tijdgeest in Nederland? Een inhoudsanalyse van de verkiezingsprogramma’s van politieke partijen’ In R. Andeweg, J. Thomassen (red), Democratie doorgelicht. Het functioneren van de Nederlandse democratie. Leiden: Leiden University Press