Doneer aan de Mr. Hans van Mierlo Stichting

dinsdag 2 januari 2018

Biomedische technologie gaat niet alleen over individu

In een interview in het Financieel Dagblad (22 december jl. ) stelde juriste Britta Beers dat ‘D66 de weg vrij zou maken voor de industriële fabricage van baby’s’. De boodschap van die partij zou zijn, dat liberalen het wel eens zouden moeten zijn met nieuwe biomedische technieken, zoals het kweken van embryo’s voor onderzoek. Het gaat hen immers slechts om ‘de behoeftes van het individu’. Waar Beers dat op baseert, wordt in het interview niet duidelijk. Haar stelling lijkt bovendien gebaseerd op een verenging van het liberalisme tot maximale vrijheid van het individu; liberalisme á la 1840.

De Hans van Mierlo Stichting werkt aan een publicatie over dilemma’s in de medische ethiek, waaronder biomedische technologie en ‘mensverbetering’.

Door Daniël Boomsma

Waar staat D66 in het debat over biomedische technologie en aanpassingen aan het menselijk genoom? De partij is inderdaad voorstander van het onder voorwaarden toestaan van onderzoek met restembryo’s om in de toekomst ernstige ziektes beter te kunnen bestrijden. Dat komt de vrijheid en waardigheid van mensen ten goede. Maar dat wil nog niet zeggen dat er niet wordt gereflecteerd op dilemma’s en de keerzijdes van nieuwe technieken.

Zo werkt de Van Mierlo Stichting, aan een publicatie over deze (en andere medisch-ethische) thematiek. Een studie waarbij de volle breedte van het debat wordt gezocht en waar ook de wetenschappelijk bureaus van de ChristenUnie en SGP aan bijdragen. Hierbij is dan ook ruim aandacht voor de maatschappelijke impact van nieuwe mogelijkheden om het menselijke genoom aan te passen.

D66 is een sociaal-liberale partij. Het liberalisme beschouwen sociaal-liberalen als een door en door sociale stroming, die altijd verder kijkt dan de behoeftes van het individu. Ja, leven en lichaam behoren toe aan het individu. Het is voor (sociaal-)liberalen aantrekkelijk om dan het schadebeginsel van stal te halen: zolang het anderen niet schaadt, is de keuze om gebruik te maken van nieuwe technologie aan het individu. Het schadebeginsel vormt dan de enige beperking op individuele keuzevrijheid en lichamelijke zelfbeschikking. Dat is bovendien een stok achter de deur tegen een paternalistische overheid, die de individuele vrijheid moet waarborgen, onder andere door grondrechten en de rechtsstaat te handhaven. Vaak kan dat niet-ingrijpen betekenen.

Het schadebeginsel is echter op zichzelf een te dunne basis voor een vruchtbaar debat over technologie en de grenzen eraan, juist omdat ze niet alleen het individu aangaan. De geestelijk vader ervan, John Stuart Mill, had het beginsel ook slechts bedoeld voor de verhouding individu en overheid.

Technologie gaat ook over de verhouding tussen mensen onderling en over toekomstige generaties. Het kan bijvoorbeeld sociale normen over kwetsbaarheid, menselijke beperkingen en wat ‘normaal’ is beïnvloeden. Mensen denken verschillend over wat goed (en ‘beter) is. Die diversiteit als het over het ‘goede leven’ gaat, verdient volgens sociaal-liberalen bescherming.

Technologie die het mogelijk maakt kiembaancellen te wijzigen, heeft ook betrekking op ouders en hun kinderen, en toekomstige generaties; die wijzigingen zijn namelijk onomkeerbaar voor het nageslacht bij voortplanting. Zelfbeschikking wordt zo niet alleen een individuele aangelegenheid. Ouders kunnen eenzijdig en onomkeerbaar het genoom van nog ongeboren kinderen en hun nageslacht veranderen. Zij staan vervolgens voor een fait a compli.

Tot slot is er nog de vraag naar de gelijke of ongelijke toegang tot technologie en de potentieel bepalende invloed van geld en macht daarin, waar ook Beers in haar interview terecht op wijst. ‘Vermarkting’ van technologie moet worden voorkomen via regulering en het stellen van juridische kaders door de overheid. Maar diezelfde overheid moet ook beperkt en gecontroleerd te worden. De vraag is steeds waar de balans ligt.

Bij het aangaan van dit soort vraagstukken dienen we niet te vergeten dat tussen mogen en moeten een groot verschil zit. De juridische vraag naar toestaan of verbieden is een andere dan de normatief ethische vraag naar goedkeuren of afkeuren. Zeker sociaal-liberalen zullen die spanning vaak tegenkomen in het dilemma tussen individuele vrijheid enerzijds en maatschappelijke impact van technologie anderzijds. Het is zaak beide vragen niet door elkaar te halen.

Alle bovengenoemde kwesties werpen fundamentele vragen op die de samenleving als geheel aangaan. De Van Mierlo Stichting zal aan dat debat  bijdragen zonder in tendentieuze termen als ‘de industriële fabricage van baby’s’ te vervallen. Mevrouw Beers is van harte welkom om daaraan deel te nemen.

Daniël Boomsma is wetenschappelijk medewerker bij de Mr. Hans van Mierlo Stichting