Help ons het sociaal-liberaal gedachtegoed groot te maken

dinsdag 29 mei 2018

Lezing: ‘Voltooid leven’, autonomie en de geleefde ervaring

Deze tekst werd uitgesproken op 28 mei tijdens een debat over ‘voltooid leven’ in Apeldoorn georganiseerd door een initiatiefgroep vanuit de Apeldoornse Kerken.

door Daniël Boomsma

Dank voor de uitnodiging om hier te komen spreken. Eerlijk is eerlijk: ik twijfelde even of ik het wel moest doen. Wéér een debat over dat onderwerp? Schieten we daar nou veel mee op? Maar het zou open debat moeten worden, las ik in de uitnodiging. Niet om elkaar vliegen af te vangen, maar om te reflecteren op een thema van belang. Geen botsing tussen onwrikbare posities, maar een écht gesprek. Daar ben ik zeer voor. Ik ben dan ook blij hier te kunnen spreken.

Het debat over het levenseinde spitst zich nu toe op deze vraag: mag je iemand bij ‘lijden aan het leven’ of ‘voltooid leven’ hulp bieden bij het beëindigen van het leven, als arts of niet-arts?

Voorstanders waren onder meer D66 en het Humanistisch Verbond Tegen waren onder meer ChristenUnie en de Nederlandse Patiënten Vereniging. Een adviescommissie onder voorzitterschap van Paul Schnabel boog zich over de vraag of de wet verruimd moest worden. Niet nodig, luidde haar conclusie. De huidige euthanasiewet biedt genoeg ruimte.

Voormalig Minister van Volksgezondheid Edith Schippers legde die conclusie naast zich neer, waarna Pia Dijkstra nog datzelfde jaar een concept wetsvoorstel opstelde om die hulp mogelijk te maken. In het regeerakkoord werd een onderzoek aangekondigd. Een onderzoek naar de groep mensen met een stervenswens op grond van ‘voltooid leven’. Hopelijk brengt dat onderzoek de discussie een stap verder.

Want soms lijkt die discussie heel overzichtelijk: de wegbereiders van zelfbeschikking en autonomie tegenover de bewakers van de beschermwaardigheid van het leven. Of venijniger: D66’ers die mensen bij het minste of geringste een spuitje willen geven tegenover christen-politici die het lijden verheerlijken. Ook lijkt het discours over het zelfgekozen levenseinde vol containerbegrippen te zitten, die de discussie versimpelen. Ik merkte dat ik die begrippen zelf ook te makkelijk inzette. Begrippen die verschillende kampen voor zichzelf claimen, en die veelal abstract en soms misleidend zijn.

Neem zo’n term als ‘voltooid. Dat is eigenlijk een onjuiste aanduiding voor waar we het vanavond over hebben. Een term die, zoals arts en filosoof Bert Keizer stelt, past in zinnen als: “De werkzaamheden aan de Merwedebrug zijn voltooid”. Taal voor de bouwkundige.

Het gaat integendeel over – weer de woorden van Keizer – “de moeizame toestand waarin je zegt: ik wil niet verder.” Keizer maakt die praktijk als arts voor de Levenseindekliniek zelf mee. Ik denk nu dat ‘lijden aan het leven’ een beter woord is. Of ‘bestaansmoeheid’. Minder misleidend. Misschien zelfs dapperder.

Een mooi voorbeeld van een gesprek dat vooral een zoektocht naar waarheid was, kwam ik deze maand tegen in Filosofie magazine: een interview met de zojuist genoemde Bert Keizer en diens collega-filosoof Paul van Tongeren. Twee heren van in de zestig. En twee heren die heel anders denken over het leven en het zelfgekozen levenseinde.

Wat is las was een gesprek dat stevig begon maar steeds opener werd. Het eindigde met een opmerking van Kiezer: “Zijn we het uiteindelijk toch nog eens. Wie had dat gedacht?” Waarop Van Tongeren zich haastte te zeggen: “Gelukkig is er nog genoeg waarover we het oneens zijn.” Uiteindelijk vonden de twee elkaar in hun invulling van het begrip autonomie. Juist dat begrip, dat zo’n splijtzwam lijkt. Autonomie – stelden ze – zou je sociaal kunnen opvatten. We stellen elkaar immers in staat invulling te geven aan ons leven. Daar kan ik me van harte bij aansluiten.

En het zal u misschien verbazen, maar ik denk dat die sociale opvatting ook bij D66 past. Ik zeg ‘verbazen’, want je hoort nog wel eens dat D66 staat voor het redelijke, puur over zichzelf beschikkende individu. Volgens sommigen gaat dat heel ver. Zo schreef Stephan Sanders vorig jaar in een doorwrocht essay in De Groene Amsterdammer:

Bij D66 is autonomie een dogma geworden. De steunpilaar van een ‘bevrijdingstheologie’, die steeds enthousiaster beleden wordt. De autonomie van de mens is een geloof geworden, zoals bij orthodox-christenen…Het vertelt het verhaal van een gewenste werkelijkheid, eerder dan een geleefde ervaring”. Die ‘gewenste werkelijkheid’ zou zijn: het individu dat zijn eigen bootje bevaart, en ook nog eens de stand van de wind bepaalt. Puur autonoom.

Prikkelend en uitdagend. Maar ook waarheidsgetrouw? Het dwingt in ieder geval tot reflectie op de vraag waarom Sanders dat toch zo ziet. Soms lijkt het debat over het levenseinde inderdaad te worden gedomineerd door abstracte termen. Die noemen partijen dan plichtsgetrouw, om hun positie ten opzichte van de ander duidelijk te maken. Misschien dat daar een deel van het ongemak van Sanders vandaan komt. Liberalen zijn in dat ‘spel’ dan hartstochtelijk voorstanders van het steeds hoger opstapelen van zaken die de autonomie van het individu vergroten.

Is die voorstelling van zaken niet te eendimensionaal? Vraag een sociaal-liberaal waar zijn denken begint, en hij zal zeggen: het individu. Maar natuurlijk stopt het denken daar niet. Mensen zijn individu en sociaal wezen tegelijk. Dat is geen tegenstelling maar een twee-eenheid. We staan in relatie tot en spiegelen ons aan anderen. In onze opvattingen over het leven, in wat we vinden en voelen, in hoe we leven en waar we aan hechten.

Het leven behoort het individu toe, maar omdat de kwaliteit van het leven ook de samenleving aangaat, is het óók een beetje van anderen. Vanuit die levensbeschouwing kun je tot verschillende conclusies komen. Je kunt best zeggen: ik wil bij ondraaglijk en uitzichtloos lijden in samenspraak met een arts kunnen beslissen het leven te beëindigen. Dat is geen opeisbaar recht, maar een gezamenlijk besluit. En een gewetensvraag voor de arts, die nooit verplicht is te assisteren!

En zo zou je ook kunnen zeggen dat – in een tijd dat we steeds ouder worden – ouderen bij het verliezen van de wil om nog door te moeten, in samenspraak kunnen besluiten: ‘het is goed zo.’ Die conclusie ligt niet vast. Je kunt evengoed stellen: ik heb als sociaal wezen plichten naar anderen, ook om door te leven als ik dat zelf niet wil.

Sanders bekritiseert het verhaal van die gewenste werkelijkheid, dat aan de geleefde ervaring voorbijgaat. Het alledaagse leven dat niet altijd ‘vrij’ is, niet altijd autonoom, en niet altijd ‘onder eigen regie’ staat. Daar zit een kern van waarheid in. En het is een kritiek die uitdaagt om het liberalisme te blijven verrijken. Dat betekent niet het idee van autonomie overboord gooien, wél het verruimen van de blik. En daar zijn liberalen goed in – geloof ik: blikverruiming, vrijzinnigheid.

Maar hoe doe je dat? Door precies dat wat Sanders zélf al schrijft te doen: de geleefde ervaring onder de loep leggen. De geleefde ervaringen van mensen van vlees en bloed, die een stervenswens hebben.Weg van de abstracties. Wat beweegt hen uit het leven te willen stappen?

Een paar jaar geleden kwam de 99-jarige ‘Moek’ Heringa in het nieuws. In 2008 hield Albert Heringa hielp zijn moeder ‘Moek’ Heringa bij het beëindigen van haar leven. ‘Moek’ had met het bereiken van de leeftijd van 99 het gevoel niet langer de ‘regie’ over haar leven te hebben. Ze had haar hele leven gelezen, maar kon dat door slecht zich niet meer. Lopen ging nauwelijks, door een slechte rug. Ze kwam uiteindelijk in een verzorgingstehuis terecht. Voor haar was het genoeg. Om haar stervenswens te realiseren had ze medicijnen opgespaard, maar die waren voor het beëindigen van het leven ongeschikt. Sterker nog, het zou een lijdensweg tot gevolg hebben.

Toen Albert Heringa daar achter kwam, en hij geen arts kon vinden die bereid was te assisteren, besloot hij zelf te helpen. 130 pillen en een glas Martini. Alles met een camera opgenomen, om te bewijzen dat het vrijwillig was en zorgvuldig gebeurde. Begin dit jaar werd Heringa veroordeeld tot 6 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf. Wat had u gedaan? Wat had ik gedaan? Was ik gaan zoeken naar een andere arts? Had ik haar verzameling pillen van haar afgenomen? Of zou ik hebben gedaan wat Albert Heringa uiteindelijk besloot te doen?

Nog een voorbeeld uit Nederland: het verhaal van Piet Kuiper en Cécile Lapré. Bioloog respectievelijk botanicus. 84 en 82 jaar oud. Zeer begaan met de leefbaarheid van de aarde. Na bijna 60 jaar huwelijk besloten ze eind 2017 uit het leven te stappen met behulp van uit China bestelde middelen. Beiden waren lid van de NVVE. Ze waren niet ziek, maar levensmoe. De Volkskrant die erover berichtte schreef: “Ze voelden zich oud, er kwamen kwaaltjes en het wereldje om hen heen werd steeds kleiner. Ze wilden niet naar een verzorgingstehuis.” Hadden ze voor hun kleinkinderen moeten blijven? Ondanks de levensmoeheid? Of kunnen we ons ook verplaatsen in hun keuze?

Er zijn ook voorbeelden die nog meer ongemak teweegbrengen. In haar boek Voltooid leven gaat Els van Wijngaarden in gesprek met Gerard Boon. 81 jaar, gezond. Sinds een halfjaar weduwnaar. Fysiek fit. Aan Els van Wijngaarden laat hij weten ‘voor niemand iets meer te betekenen.’Dat hij ‘niks meer kan bijdragen’. “Ik hoef niemand te helpen. Niemand.” vertelt hij. Hij geeft het simpele voorbeeld dat hij vroeger nog op de honden van één van zijn zoons kon passen. Nu doen zijn kleinkinderen dat en is Gerard niet meer nodig. Maar is er dan niet iets anders aan de hand? Verraadt het verhaal van Gerard niet de afwezigheid van iets dat juist weer terug moet komen? Om Gerard zijn levenslust terug te geven?

In zijn recente essay Willen sterven stelde filosoof Van Tongeren de vraag: Ik wil uiteindelijk proberen iets meer te begrijpen van wat iemand wil, als hij zegt dat hij dood wil.” Volgens mij moeten we het daarover hebben. De ‘geleefde ervaring’ via verhalen vertellen en onderwerp van gesprek maken. Zoals het verhaal van ‘Moek’. Van Piet Kuiper en Cecile Lapré. Van Gerard Boon. En de confronterende vraag stellen die die verhalen oproepen.

Dan komt het wel goed met dat open debat.

Daniël Boomsma is wetenschappelijk medewerker bij de Van Mierlo Stichting