Doneer aan de Mr. Hans van Mierlo Stichting

maandag 2 juli 2018

De kracht van verontwaardiging

#verontwaardiging

Inwoners van een gemeente die protesteren tegen de komst van een asielzoekerscentrum, de Groningers die zich verzetten tegen gaswinning en bewoners rondom Lelystad die de komst van een vliegveld willen tegenhouden. Het is niet moeilijk om recente voorbeelden te vinden van burgers die verontwaardigd of zelfs woest zijn op de overheid. Voor het openbaar bestuur lijken deze eigenwijze burgers soms een hinderlijke, storende factor.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de verontwaardiging van burgers veel aandacht krijgt in het publieke debat. Hoewel sommige politici, bestuurders en ambtenaren de boze burger op het schild hijsen, spreken andere gezagsdragers over de boze burger alsof het een bijzondere burgersoort betreft. Deze ‘civis iratus’ zou niet voor rede vatbaar zijn, en daarom niet serieus genomen hoeven te worden. Men spreekt ook wel over het NIMBY gevoel bij burgers: Not In My BackYard. Geen asielzoekers in mijn achtertuin, gaswinning onder mijn bodem of vliegtuigen boven mijn hoofd.

Vaak liggen achter de verontwaardiging van burgers echter terechte zorgen, frustraties en idealen. Zo kunnen zij het gevoel hebben dat zij continu aan het kortste eind trekken, onvoldoende in processen worden betrokken of soms zelfs door het openbaar bestuur worden geschoffeerd. Hun verontwaardiging laat zien waar burgers belang aan hechten, waar zij voor staan en waar zij voor in actie willen komen. Verontwaardiging an sich is dan ook geen gevaar voor de democratische rechtsstaat. Het kan voor de democratie juist een informatieve functie hebben, doordat het politici, bestuurders en ambtenaren een beter beeld geeft van wat er leeft in de samenleving.

In de democratische rechtsstaat kunnen gevoelens van verontwaardiging, als het goed is, door bestaande mechanismes, zoals verkiezingen en referenda, in goede banen worden geleid. Zo hebben burgers de mogelijkheid om verontwaardiging te tonen door op andere of nieuwe politieke partijen te stemmen of zelf politiek actief te worden. Verder hebben zij dankzij het recht op demonstratie bijvoorbeeld mogelijkheden om hun verontwaardiging te uiten buiten deze traditionele politieke kanalen om.

Als verontwaardigde burgers echter de grenzen van de democratische rechtsstaat overschrijden, ontstaat een probleem. Zij kunnen dan bijvoorbeeld de openbare orde verstoren en, in extreme gevallen, geweld gebruiken tegen politieke vertegenwoordigers, medewerkers van de overheid of medeburgers. Denk aan de burgers die de gemeenteraad in Geldermalsen bestormden toen deze vergaderde over de komst van een AZC of de demonstranten bij de Oostvaardersplassen die medewerkers van de provincie en Staatsbosbeheer intimideerden.

Dit roept vragen op over hoe een democratische rechtsstaat in het algemeen, en het openbaar bestuur daarbinnen in het bijzonder, het beste om kan gaan met de verontwaardiging van burgers.

#antifragiliteit

De democratische rechtsstaat zou enerzijds voldoende veerkrachtig moeten zijn om zich te kunnen aanpassen aan snel veranderende omstandigheden, zoals de opkomst van mondige burgers en nieuwe communicatie- en mobilisatiemiddelen die zij tot hun beschikking hebben. Deze middelen kunnen de gebiedsgebonden betrokkenheid (bij een bepaalde politieke gemeenschap) en issuegebonden betrokkenheid (bij een bepaald onderwerp) van burgers niet alleen efficiënter en effectiever maken, maar ook leiden tot nieuwe combinaties en meer spontane vormen van betrokkenheid. Zo kunnen de tegenstanders van het ene lokale vliegveld zich organiseren in netwerken met tegenstanders van het andere lokale vliegveld en kunnen zij leren van elkaars ervaring en expertise. En lokale issues, zoals de komst van een vliegveld of het niet bijvoederen van dieren bij de Oostvaardersplassen kunnen niet alleen een kristallisatiepunt vormen waarop burgers meer vage, onbestemde en latente gevoelens van onbehagen projecteren en afreageren, maar kunnen omgekeerd dit onbehagen ook voeden als mensen het gevoel hebben dat zij de grip op hun eigen omgeving lijken te verliezen.

Behalve veerkrachtig zou de democratische rechtsstaat ook voldoende weerbaar moeten zijn om haar kernwaarden te beschermen. Helaas laten Polen en Hongarije zien dat de democratische rechtsstaat niet altijd opgewassen is tegen de krachten die haar dreigen te ondermijnen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om krachten die de democratie, soms zelfs via democratische weg, aantasten door het (liberaal) democratische ideaal aan te tasten van vrije gedachtevorming en politieke concurrentie van ideeën, waardoor er steeds minder ruimte komt voor diversiteit en afwijkende meningen.

Wat echter opvalt aan de termen veerkracht en weerbaarheid is dat het vooral lijkt te gaan om verdedigingsmechanismes. De democratische rechtsstaat dient te reageren op schokken die haar bedreigen door zich hiervan te herstellen, zich hieraan aan te passen of hiertegen weerstand te bieden. De vraag is of dit voldoende is voor de gewenste omgang met verontwaardiging. Het zijn immers reflexen of reacties die vaak pas komen wanneer de eerste klap al is verkocht of de eerste schok al heeft plaatsgevonden. En de veerkracht en weerbaarheid worden pas op de proef gesteld als burgers hun verontwaardiging uiten en daarbij grenzen opzoeken of overschrijden.

Maar bovenal is verontwaardiging niet iets waartegen de democratische rechtsstaat zich altijd moet verdedigen, het is ook iets waar de democratische rechtsstaat haar voordeel mee kan doen. Wat dat betreft heeft de econoom en filosoof Taleb een interessant begrip geïntroduceerd. Taleb (2013) spreekt over ‘antifragiliteit’: een antifragiel systeem weet zich niet alleen te herstellen van schokken, zich hieraan aan te passen of hiertegen weerstand te bieden, maar weet hiervan zelfs sterker te worden. Taleb geeft als voorbeeld het veelkoppige monster Hydra uit de Griekse mythologie waarvan voor elke afgehakte kop er twee terug groeiden.

Als de democratische rechtsstaat deze lijn van denken volgt, zou zij niet alleen moeten kijken hoe zij veerkrachtig of weerbaar kan zijn tegen verontwaardiging, maar hoe zij deze in haar eigen voordeel kan omzetten en zichzelf ermee kan versterken. Dit vereist dat zij niet alleen reactief, maar ook proactief opereert. Haar instituties dienen de kernwaarden van de democratische rechtsstaat niet alleen te beschermen, maar ook actief uit te dragen. Hierbij ligt een belangrijke rol weggelegd voor het openbaar bestuur.

#hoedan

Ten eerste heeft het openbaar bestuur een voorbeeldfunctie. Politici, bestuurders en ambtenaren dienen zelf de spelregels van de democratie te allen tijden te respecteren en dienen de kernwaarden van de democratische rechtsstaat actief uit te dragen. Ten tweede heeft het openbaar bestuur een rol als steunpilaar van de democratie. Politici, bestuurders en ambtenaren dienen burgers duidelijk te maken waar democratische grenzen liggen, en wanneer deze grenzen worden opgezocht of zelfs overschreden. En ten derde dienen zij actief op zoek te gaan naar de oorzaken van de verontwaardiging van burgers en te kijken hoe zij deze verontwaardiging een plek kunnen geven in het democratisch proces. Wanneer dit laatste lukt, versterken zij de democratische rechtsstaat en maken zij deze antifragiel.

Hoe kan het openbaar bestuur het beste deze rollen vervullen? Om een antwoord op deze vraag te formuleren is het belangrijk te onderkennen dat verontwaardiging zich manifesteert in fasen, en dat de rollen die het openbaar bestuur kan innemen en de instrumenten die het kan inzetten per fase verschillen. Op basis van bestaand onderzoek hebben Sarah de Lange en ik in de essaybundel #WOEST een model geïntroduceerd met vijf fasen in de metafoor van een storm.

De eerste fase is het ‘stormklaar’ maken van een politieke gemeenschap. Tijdens deze fase is er binnen een politieke gemeenschap niet of nauwelijks sprake van verontwaardiging. Dit is de fase waarin het openbaar bestuur de politieke gemeenschap kan voorbereiden op mogelijke onrust. Hierbij valt te denken aan het cultiveren van democratisch ethos en burgerschap. Deze kunnen worden bevorderd via burgerschapsvorming in het onderwijs, via inburgeringcursussen of het oefenen van burgerschap in de praktijk, zoals in wijkcomités.

De tweede fase is ‘de stilte voor de storm’. Tijdens deze fase is er binnen een politieke gemeenschap sprake van verontwaardiging, maar heeft deze zich nog niet gemanifesteerd aan de oppervlakte of is deze nog niet zichtbaar voor het openbaar bestuur. Dit is de fase waarin het openbaar bestuur waakzaam dient te zijn en de verontwaardiging van burgers zo vroeg mogelijk moet proberen te signaleren. Het openbaar bestuur kan hiervoor zijn oor te luister leggen bij burgers zelf of bij professionals in de wijk, die zicht hebben op de verontwaardiging van burgers. Andere mogelijkheden zijn verder peilingen, (online) monitoring van onvrede en andere ‘thermometers’.

De derde fase is het ‘opkomend stormtij’. Tijdens deze fase is er binnen een politieke gemeenschap sprake van oplopende spanningen en strijd. Groepen burgers komen hier tegenover elkaar of tegenover het openbaar bestuur te staan. Dit is de fase waarin het openbaar bestuur escalatie van conflicten kan proberen te voorkomen of conflicten kan proberen te de-escaleren met behulp van bemiddeling of mediatie. Het openbaar bestuur kan bijvoorbeeld een dialoog organiseren via een inspraakavond of zij kan een referendum organiseren om mensen mee te laten beslissen.

De vierde fase is ‘de storm’. Tijdens deze fase is er binnen een politieke gemeenschap sprake van geweld of de dreiging daarvan. Het openbaar bestuur dient dan de openbare orde te handhaven en te voorkomen dat er gelegenheden zijn om ongestraft geweld te plegen en ervoor te zorgen dat alle betrokkenen zich veilig voelen, zodat zelfverdediging geen argument kan zijn voor geweld. Indien nodig, kunnen autoriteiten gebruikmaken van een samenscholings- of een verenigingsverbod of zelfs het geweldsmonopolie om een situatie weer onder controle te brengen. Zij dienen deze instrumenten echter altijd proportioneel in te zetten en een balans te vinden tussen het faciliteren van politieke vrijheden en het bewaken van de openbare orde en veiligheid.

De vijfde fase is ‘na de storm’. Tijdens deze fase is er binnen een politieke gemeenschap sprake van maatschappelijke breuklijnen, polarisatie en/of aanhoudende vijandigheden. In deze fase dient het openbaar bestuur de fysieke en sociale schade op te maken en te kijken hoe de politieke gemeenschap zich kan herstellen. Het openbaar bestuur kan in deze fase bijvoorbeeld bijeenkomsten organiseren waar burgers via gemeenschappelijke doelen en projecten weer nader tot elkaar kunnen komen en elkaar niet als vijanden, maar als politieke tegenstanders gaan beschouwen.

#sterkerdoorstrijd

In zijn klassieker Il Principe (De heerser) stelt Machiavelli (2012) dat een succesvolle heerser ‘virtù’ nodig heeft om met de ‘fortuna’ om te kunnen gaan. De fortuin – de omstandigheden die niet te controleren zijn – is notoir wisselvallig, maar een succesvolle heerser weet op haar te anticiperen door zijn handelen aan te passen aan de omstandigheden. Machiavelli vergelijkt de fortuin daarbij met een onstuimige, woeste rivier die buiten haar oevers kan treden. Deze wijze les van Machiavelli is ook relevant voor gezagsdragers die in de 21ste eeuw geconfronteerd worden met burgers die boos, ontevreden of teleurgesteld zijn.

Net als een kabbelend beekje dat plotseling een onstuimige, woeste rivier kan worden, heeft de verontwaardiging van burgers de potentie aan te zwellen tot voor het openbaar bestuur onbeheersbare proporties. Enerzijds kan de kracht van deze verontwaardiging de democratische rechtsstaat verzwakken of vernielen, anderzijds kan deze de democratische rechtsstaat vernieuwen en versterken. Verontwaardigde burgers vormen dus niet alleen een gevaar voor de democratische rechtsstaat, maar ook een kans omdat zij het openbaar bestuur dwingen zich open te stellen en te werken aan een antifragiel politiek systeem.

De uitdaging voor gezagsdragers is dat zij zich enerzijds kwetsbaar en zelfkritisch durven op te stellen als de situatie daar om vraagt, maar dat zij tegelijkertijd ook daadkrachtig blijven staan en strijden voor de kernwaarden van de democratie. Zij dienen zich onbevreesd voor te bereiden op de verontwaardiging van burgers. Het is de aanvaarding en organisatie van diversiteit en conflicten die de democratische rechtsstaat sterk maakt. Machiavelli (2007) stelde in zijn andere werk Discorsi (Verhandelingen) al dat het juist de tegenstellingen waren tussen het volk en de senaat in Rome die de Romeinse Republiek vrij en machtig maakten. Dit verrassende inzicht laat zien dat een staatsvorm met ruimte voor de wrijving tussen geregeerden en regeerders een ideaal is dat het waard is om voor te blijven strijden.

Jasper Zuure is sociaal psycholoog en senior adviseur bij de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB). Samen met Sarah de Lange stelde hij de essaybundel ‘#WOEST De kracht van verontwaardiging’ samen die is uitgegeven bij Amsterdam University Press (AUP).

Neem hier een abonnement op idee.