Doneer aan de Mr. Hans van Mierlo Stichting

maandag 2 juli 2018

Het plein als hart van de samenleving

Tekst: Floor Milikowski,

In de Wenslauerstraat in de Amsterdamse Bellamybuurt werd anderhalf jaar geleden een voormalig fabriekspand gesloopt. Het bijna honderd jaar oude pand was een van de vele voormalige bedrijfspanden in de smalle, karakteristieke straten tussen de Kinkerstraat en de De Clerqstraat. Omwonenden hoorden twee jaar geleden bij toeval dat de oude metaalfabriek zou worden gesloopt en zou worden vervangen door een appartementencomplex. Zij vroegen de stukken op die door de ontwikkelaar, een dubieuze vastgoedontwikkelaar uit Amsterdam, waren ingediend voor de aanvraag van de sloopvergunning en de bouwvergunning. Al snel kwamen de bewoners tot de conclusie dat er van alles aan schortte. Bij de aanvraag voor sloopvergunning was door de ontwikkelaar op verschillende punten verkeerde informatie verstrekt en het ontwerp voor het nieuwe appartementencomplex paste niet in het bestemmingsplan en zou grote gevolgen hebben voor de woonkwaliteit van de buren.

De bewoners meldden zich met hun zorgen bij stadsdeel West. Eerst bij de betrokken ambtenaren, later ook bij de raadsleden en bestuurders van het stadsdeel. Nergens vonden ze gehoor. Door verschillende bewoners werden zienswijzen ingediend met de reële zorgen over de gevolgen die zowel de sloop als de nieuwbouw zou hebben voor omliggende woningen: de kans op scheuren en verzakkingen en het ontnemen van licht. Ondertussen werd de bewoners van verschillende kanten duidelijk gemaakt dat hun inspanningen niet werden gewaardeerd. Ambtenaren maakten direct en indirect duidelijk aan de kant van de ontwikkelaar te staan, de ontwikkelaar zelf meldde zich regelmatig aan de deur of zelfs op het schoolplein van de kinderen van een van de bewoners.

Naarmate het proces vorderde, werd duidelijk dat er ondanks de formele bezwaren niets met de zorgen van de bewoners werd gedaan. Uit eigen onderzoek van de bewoners, bleek vervolgens dat er door ambtenaren was gesjoemeld met het dossier, waardoor belangrijke zienswijzen ongeldig waren verklaard: er was een datum vervalst en een handtekening uitgevlakt. De bewoners klopten aan bij de wethouder en de gemeenteraad. Hoewel ze gehoor vonden bij enkele kritische raadsleden, verklaarde de wethouder niets te kunnen doen. Een feitelijke onjuistheid, aangezien de wethouder weldegelijk bij machte was het vergunning in te trekken of te heroverwegen.

De bewoners zochten contact met de media, stapten naar de rechter en schakelden de ombudsman in. Er verschenen kritische artikelen in De Groene Amsterdammer, De Telegraaf, NRC Handelsblad en Het Parool, maar het leidde niet tot een reactie van de gemeente. Ook een tussentijdse uitspraak van de rechter die de handelswijze van de gemeente in twijfel trok, leidde niet tot concrete actie. Na de definitieve uitspraak van de rechter, die stelde dat het bouwvergunning onterecht was verleend, liet de gemeente weten het beroep van de ontwikkelaar bij de Raad van State af te wachten. Er volgde een vernietigend rapport van de ombudsman, die stelde dat de gemeente ernstig had gefaald en uiteindelijk een uitspraak van de Raad van State, die stelde dat het voorgenomen appartementencomplex een aanvaardbaar woon-en leefklimaat zou schaden. De vergunning was onterecht verleend, het appartementencomplex mag in de voorgestelde vorm niet worden gebouwd.

Eén van de bewoners, Anneke Veenhoff, vertelde me vorige zomer: ‘Ik had altijd heel veel vertrouwen in de overheid. Ik dacht dat mensen die voor de gemeente werken zich gewoon aan de regels hielden. Dat er zoiets is als de gemeenschappelijke goede zaak, waar iedereen zijn best voor doet. Maar dat vertrouwen ben ik verloren.’

Ze was geschrokken van de weerstand van de gemeente om te luisteren naar de bewoners en de onwil om samen te zoeken naar oplossingen. Deze houding eiste veel van de bewoners. ‘Het heeft ons inmiddels duizenden uren gekost. Als je die tijd niet hebt, ben je kansloos.’ Ook waren er financiële kosten van de advocaten die het gezelschap bijstonden in het slepende conflict. Duizenden euro’s, die een aantal bewoners samen moesten ophoesten. ‘Maar je moet dat geld wel hebben,’ zei Veenhoff. Zonder juridische expertise is het bijna onmogelijk om de juiste weg te vinden in het woud van regels, adviezen, rapportages en vergunningen.

Met als resultaat dat de gemeente er bij veel vergelijkbare zaken in slaagt zijn zin door te duwen, ondanks schending van de regels of richtlijnen. Het feit dat het aantal conflicten in de stad tussen bewoners en gemeente in zake bouwprojecten snel toeneemt, is reden voor zorgen. Het onderlinge vertrouwen neemt af, er is steeds meer sprake van wantrouwen over de intenties en de belangen van de gemeente. Er is weinig transparantie en mede door het verdwijnen van de stadsdeelraden oude stijl, is er steeds minder onderling begrip en direct contact.

Het zegt veel over de betrokkenheid van Veenhoff en over haar vertrouwen in de overheid en het openbaar bestuur dat zij zich verkiesbaar heeft gesteld voor de stadsdeelcommissie, waarin ze inmiddels ook zitting heeft. In plaats van mopperend aan de zijlijn te staan, hoopt ze van binnenuit iets te kunnen veranderen. Hoewel Veenhoff het doet via een gevestigde landelijke partij, GroenLinks, is haar drijfveer identiek aan veel raadsleden en kiezers van lokale partijen: ze zijn oprecht betrokken, maar voelen zich niet serieus genomen door de politiek en de overheid en kiezen daarom hun eigen weg. Zoals dat ook geldt voor bijvoorbeeld de initiatiefnemers van de verschillende referenda.

Het internet in het algemeen en de opkomst van sociale media in het bijzonder, leidt in vergelijking tot het einde van de vorige eeuw tot een hoog kennisniveau onder burgers. Bovendien is het opleidingsniveau van de Nederlandse bevolking veel hoger dan honderd jaar geleden. Men weet heel goed wat er speelt, heeft toegang tot veel informatie, kan snel contact leggen met medestanders om vervolgens nog meer kennis uit te wisselen. Deze ontwikkeling dwingt de overheid tot transparantie en een open en coöperatieve houding. Aan het begin van deze eeuw werd deze nieuwe verhouding tussen politiek en overheid enerzijds en burgers anderzijds gezien als een bijzondere kans voor democratische vernieuwing. In 2001 schreef de Amerikaanse ondernemer en topadviseur Dick Morris zijn beroemde werk Direct Democracy and the Internet: ‘Het internet biedt een dusdanig uitgesproken mogelijkheid voor rechtstreekse democratie dat het niet alleen ons politieke systeem kan transformeren, maar onze gehele manier van besturen.’

Maar inmiddels is duidelijk dat dit niet zo makkelijk is als het lijkt. Vooralsnog leidt de toenemende gelijkwaardigheid juist tot onderling wantrouwen. De overheid voelt zich bedreigt door de mondige en kritische burger, terwijl de burger zich steeds vaker belazerd voelt door een gebrek aan transparantie bij de overheid, halve waarheden en onduidelijke belangen, die beter zichtbaar zijn en meer worden belicht dan ooit. Ruim een jaar geleden reflecteerde de Australische links-activistische schrijver Jeff Sparrow in The Guardian op het artikel van Dick Morris. Hierin stelde hij zich de vraag wat er was overgebleven van de hoopgevende ideeën van zestien jaar eerder. ‘Kan de democratie de Vierde Industriële Revolutie overleven? En zou dat moeten?’ luidde de veelzeggende en weinig optimistische kop. In de aanloop naar de Amerikaanse verkiezingen in 2016, verschenen in internationale media verschillende artikelen waarin werd opgeroepen om stemrecht en het uitoefenen van invloed op het beleid juist minder toegankelijk te maken.

Niet voor niets schreef oprichter Klaus Schwab van het World Economic Forum in het artikel De Vierde Industriële Revolutie: Wat het betekent en hoe te reageren dat hij publiceerde in Foreign Affairs dat de huidige technologische revolutie enerzijds een ongekende belofte met zich meebrengt, maar anderzijds een ongekend potentieel gevaar. Ook op het gebied van democratie: waar vijftien jaar geleden de stellige overtuiging bestond dat internet zou leiden tot een nieuw hoogtepunt in de democratische geschiedenis, zijn het juist de autoritaire leiders die de harten van het volk stelen, aldus Schwab. De vraag is hoe we alsnog aankomen bij de democratische vernieuwing, die nodig is om tot een nieuw evenwicht te komen tussen burger en overheid.

Van oudsher heeft de openbare ruimte een belangrijke rol bij het functioneren van de democratie. Op de agora, het plein, speelde zich in de Griekse oudheid het sociale, publieke en politieke leven af. Een zelfde centrale functie had het Forum Romanum, waar handel werd gedreven, recht werd gesproken en waar de senaat bijeen kwam. Het waren centrale ontmoetingsplaatsen, waar alle geledingen van de bevolking en het bestuur samen kwamen. Hier werd kennis gedeeld, werden ideeën uitgewisseld en gedachten gevormd. De agora’s en fora vormden het hart van de Griekse en de Romeinse samenleving.

Het belang van bewuste en toevallige ontmoetingen en uitwisselingen is nog altijd van groot belang voor het welzijn van de samenleving en het functioneren van de democratie. In een ideale situatie is een plein, of de openbare ruimte meer in het algemeen, de plek waar verschillende groepen en ideeën samenkomen en samensmelten tot een geheel of tot een consensus komen over de wijze van samenleven met elkaar. Internetpioniers zagen de nieuwe digitale wereld als een oneindige en onbegrensde openbare ruimte, waarin iedereen vrij was om te gaan en te staan waar hij wilde, nieuwe mensen te ontmoeten en nieuwe werelden te verkennen. Vanuit deze gedachte bestond de hoop dat het internet zou leiden tot verdere integratie van culturen en meer wederzijds begrip. Het zou het nieuwe hart zijn van een mondiale samenleving.

Maar het tegenovergestelde gebeurde. De opkomst van de digitale wereld, heeft juist geleid tot nichevorming en polarisatie. Juist in een onbegrensde openbare ruimte met oneindige mogelijkheden, blijken mensen hun eigen soort op te zoeken en de ander uit de weg te gaan. Bovendien maakt online contact het beter dan ooit mogelijk om ook in de fysieke openbare ruimte gerichte bewegingen te maken om soortgenoten te ontmoeten en andere groepen te vermijden. Een proces dat wordt versterkt door individualisering, ruimtelijke segregatie binnen steden en de (semi)-privatisering van de openbare ruimte. Het maakt het belang van nadenken over de openbare ruimte alleen maar groter. Hoe kan een plein, straat, binnentuin of park ontmoetingen stimuleren? Welke functies en vormen zijn nodig om verschillende groepen te verleiden om naar dezelfde plek te komen? Op welke manier kunnen de online wereld en de fysieke wereld elkaar hierin versterken.

In de Nederlandse traditie van stedenbouw en ruimtelijke ordening, is altijd veel aandacht geweest voor het belang van de openbare ruimte. Onder invloed van het neoliberale discours en de opkomende macht van de markt, is deze traditie in de afgelopen decennia onder druk komen te staan. Bij nieuwbouw en de herinrichting van bestaande gebieden, wordt vooral gekeken naar bouwvolumes en winstmarges. Aan de openbare ruimte valt in de exploitatie niets te verdienen. Maar op de langere termijn, is deze cruciaal voor de leefbaarheid van een gebied en voor het welzijn van de samenleving.

Dit artikel is een aangepaste versie van het essay ‘Betrokken burgers vragen om een betrokken overheid,’ in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

neem hier een abonnement op idee.