Doneer aan de Mr. Hans van Mierlo Stichting

vrijdag 28 september 2018

De cultuur van religieuze ingetogenheid

Door Maurits Berger

Uit zijn twintig jaar ervaring met islam in Nederland komt Maurits Berger tot de voorlopige conclusie dat de cultuur van religieuze ingetogenheid, in combinatie met de sterk afgenomen religiositeit onder Nederlanders, ertoe heeft geleid dat vooral niet-zo religieuze Nederlanders heel schichtig zijn geworden in hun omgang met religie.

In een sociaal-liberaal systeem zoals we dat kennen in Nederland, is er de vrijheid om religie te belijden, net zo goed als er de vrijheid is om daar niets mee van doen te hebben. Dit betekent wel dat de burger de opdracht heeft tot tolerantie: niet-gelovigen of anders-gelovigen zullen zich manifestaties van religie moeten laten welgevallen, hoezeer zij daar ook aanstoot aan nemen. En gelovigen moeten bepaald taalgebruik van zich af laten glijden, of moeten accepteren dat bepaalde godsdienstige voorschriften door anderen met de voeten worden getreden. Tolerantie is dus het verdragen van iets dat eigenlijk tegen de borst stuit. Althans, aldus schrijft het juridische plaatje voor: zo hebben we het georganiseerd. Maar de werkelijkheid is stukken weerbarstiger.

Die weerbarstigheid ligt niet aan de regels, maar aan de cultuur. Volgens de dominante cultuur in Nederland is religie een privézaak, die men bij voorkeur niet publiekelijk laat zien. Zo hebben wij diverse politieke partijen met een christelijke grondslag, hoewel slechts weinig christelijke politici zich in de Tweede Kamer of tijdens publieke bijeenkomsten zullen bedienen van godsdienstig taalgebruik, of citaten uit de Bijbel. Hoe anders is dat in een land als Amerika, waar men dergelijke partijen niet kent, maar waar religie een wezenlijk onderdeel is van het publieke en politieke debat. Sterker nog, je wordt geen president wanneer je niet heel duidelijk aangeeft hoe je denkt over religie. Is religie dan zoveel anders geregeld in Amerika dan in Nederland? Nee, de systemen zijn juridisch bijna hetzelfde. Maar de mores en cultuur zijn anders. Wij in Nederland doen dat gewoon niet, niet omdat het zo voorgeschreven is, maar omdat deze religieuze ingetogenheid in onze cultuur is ingebed.

Ook al hebben wij het zuilenstelsel nog niet zo lang geleden achter ons gelaten, en heeft de ontkerkelijking een enorme kaalslag teweeggebracht in ons religieus landschap, deze cultuur van religieuze ingetogenheid gaat al een tijd terug. Een voorbeeld is het processieverbod. In steden en dorpen waar protestanten in getal domineerden gold een verbod voor katholieken om processies buiten de kerk te houden. De protestanten namen namelijk enorm aanstoot aan het publiek ronddragen van beeltenissen in grote optochten met clerus en koorknapen in allerlei kleurrijke godsdienstige gewaden. Dat verbod was nogal ingrijpend voor de katholieken voor wie deze processies een wezenlijk onderdeel waren van hun godsdienstige viering. Maar blijkbaar was hier voor de protestanten een grens bereikt, en die afkeer was dusdanig dat dit verbod pas in 1983 is opgeheven.

De cultuur van religieuze ingetogenheid is dus altijd een vanzelfsprekendheid geweest, totdat zij werd geconfronteerd met de recente introductie van islam in de Nederlandse samenleving. Niet alleen de eeuwenoude beeldvorming rond deze religie speelde ons parten; het was vooral het uiterlijk vertoon ervan. Het is niet voor niets dat de heftigste discussies over islam juist daarover gaan: het dragen van een hoofddoek, het geven van een hand, het bouwen van een moskee met minaret. Interessant is dat het vooral reacties van afkeuring zijn, meer dan afkering. Afkering van de islam als iets verwerpelijks en onverenigbaar met Nederland is beperkt tot de felle columnisten die de boventoon voeren. Afkeuring, daarentegen, bemerk ik vooral onder het bredere publiek: ‘Hè, moet dat nou, zo’n hoofddoek?’; ‘Is dat nou nodig, dat je per se geen hand wilt geven?’ Dit zijn reacties die zijn ingegeven vanuit de cultuur van religieuze ingetogenheid. We hebben instinctief een afkeurende reactie op mensen die ostentatief hun religie uitdragen. Wij vinden dat belastend, soms zelfs ondraaglijk, net als de protestanten dat vonden van katholieke processies.

Opvallend is dat deze cultuur zich lijkt te beperken tot religie. Op andere gebieden zijn wij stukken liberaler in hoe wij ons uiterlijk manifesteren. Denk aan punkers, hiphoppers, tattoos, anarcho’s, en politici zonder das – en dan heb ik het nog niet eens over de opkomst van travestieten, transgenders en andere personen die hun seksuele geaardheid accentueren met kleding. Deze uiterlijkheden vinden wij misschien ook aanstootgevend, belachelijk of lachwekkend, maar dat laten wij makkelijker van ons afglijden dan de gelovige – vaak keurig geklede – moslima of moslim. Wat is het dan, dat religie zo anders maakt?

Hier is geen eenduidig antwoord op. Uit mijn twintig jaar ervaring met islam in Nederland kom ik tot de voorlopige conclusie dat de cultuur van religieuze ingetogenheid, in combinatie met de sterk afgenomen religiositeit onder Nederlanders, ertoe heeft geleid dat vooral niet-zo-religieuze Nederlanders heel schichtig zijn geworden in hun omgang met religie. Laat ik dit illustreren met enkele voorbeelden.

Een studente aan de pabo besluit in haar derde jaar dat zij haar religie, islam, sterker wil belijden. Zij gaat een hoofddoek dragen, bidt vijf keer per dag, en houdt zich aan de spijswetten. Maar zij meent ook dat zij geen muziek meer mag beluisteren of beoefenen. Dat is nu problematisch voor iemand die de opleiding voor onderwijzer volgt, en het veroorzaakte discussies onder de docenten: is hier nu sprake van vrijheid van religie op grond waarvan haar een vrijstelling verleend moet worden van dit onderdeel van haar opleiding?

Ik noem een ander voorbeeld: De kleine Mohammed van tien jaar roept, tijdens het uitdelen van zakjes chips voor een verjaardag van een van de kinderen uit de klas: ‘Dat mag niet, dat is haram!’ De juf weet niet hoe hierop te antwoorden: is het inderdaad haram, en moet ze het uitdelen van deze versnapering dan maar niet door laten gaan, omdat anders een van haar leerlingen in religieuze problemen zou kunnen raken?

En als laatste voorbeeld benoem ik de bekende kwestie van de advocaat die vanwege zijn geloofsovertuiging niet wilde opstaan voor de rechter: niemand zou moeten opstaan voor een ander persoon, meende hij, net zoals de profeet niet wilde dat mensen voor hem opstonden, bogen of knielden. Het voorval leidde tot een interne hoorzitting bij de orde van advocaten.

Opvallend was dat bij degenen die met deze situaties werden geconfronteerd, steeds twee emoties door elkaar speelden: verwarring en irritatie. De verwarring betrof de vraag wat te doen. De kwestie was immers religieus, zo meende men, en gold daar niet een speciale vrijstelling? Ofwel, als iemand zich beriep op religie, dan kon je eigenlijk nooit ‘nee’ zeggen. En dat was de bron van de tweede emotie, namelijk irritatie: men had het gevoel voor het blok gezet te worden. Beide emoties leidden ertoe dat men in een soort religie-spasme schoot die verlammend werkte. Terwijl de reactie echt niet zo ingewikkeld hoefde te zijn.

In het geval van de pabostudente zou ik menen dat zij vrij was om te denken en geloven wat zij wilde, maar als dat betekende dat zij bepaalde wezenlijke onderdelen van het curriculum niet kon vervullen, dan kon zij de opleiding dus ook niet afmaken. Mijn vraag aan de leraren was daarom niet: wat vinden jullie van een vrijstelling op grond van religie? Maar ik stelde de vraag: hoe wezenlijk is muziek voor de opleiding? In het geval van de kleine Mohammed zou ik zeggen dat hij de chips niet hoeft te eten, maar nog meer wezenlijk vond ik de verstarde reactie van de juf. Hoe zou zij gereageerd hebben als die jongen had geroepen: ‘Dat mag niet, dat is vies!’; ‘Dat mag niet, die zakjes zijn niet duurzaam!’ Dan zou er geen probleem zijn, antwoordde zij, want daar zou ze makkelijk een gesprek over kunnen voeren met de klas. En over het geval van de advocaat heb ik mij hogelijk verbaasd, omdat ik mij nog goed kan herinneren hoe Amsterdamse advocaten, die sympathiseerden met de krakersbeweging met als motto ‘jullie rechtstaat is de onze niet’, in de rechtszaal ook weigerden op te staan voor de rechter. Toen was er geen probleem, nu blijkbaar wel.

Maar het meest opmerkelijke was misschien wel dat deze en vele anderen gevallen werden gedomineerd door de vraag: ‘Wat zegt de islam daarover?’ De voorzitter van de pabo, de juf van de lagere school en de deken van de orde van advocaten wilden weten of het volgens de islam klopte wat die moslims zeiden. Waartoe diende die vraag, wat zou men opschieten met die kennis? Zou het antwoord bepalend zijn voor de beslissing of men dan een uitzondering zou maken? Als je van de islam inderdaad geen muziek mag maken, chips mag uitdelen, of opstaan voor de rechter, zou dat enige invloed hebben op de reacties van de omgeving? Ik denk van niet. Meer begrip zou er niet van komen, en de irritatie zou zeker niet verminderen.

Maar meer dan de juridische positionering leek die vraag van belang vanwege de kwestie van het gelijk. Degenen die geconfronteerd werden met de religieuze stellingname, wilden weten of het ‘waar’ was. Klopt het, dat je volgens de islam geen muziek mag maken, geen chips mag eten of niet mag opstaan voor een rechter? Want als dat niet zo was, dan kon dat aan die moslim worden tegengeworpen. Die fascinatie of iets wel of niet mag van de islam wordt breed gedeeld door niet-islamitische Nederlanders. Grappig genoeg onderscheiden zij zich daarmee nauwelijks van de orthodoxe moslims die evenzo een obsessie hebben met de vraag of iets haram of halal is. Maar het is een fascinatie waar de niet-gelovige buitenstaande niets mee opschiet. Religie heeft zijn leerstellingen, en zijn afwijkende scholen, stromingen en interpretaties. Dus waarom zou de regel dat je volgens de islam niet mag opstaan minder waar zijn als het slechts de opvatting van een minderheid zou zijn? En nog belangrijker: wil de niet-moslim nu echt met en moslim in discussie over wat wel of niet de juiste islam is? Daar zal nooit een bevredigend antwoord uit komen, want een gelovige zal niet snel zijn ongelijk toegeven, en zeker niet aan een niet-gelovige.

We zijn dankzij de islam in de paradoxale situatie beland dat religieus ingetogen of niet-zo-religieuze Nederlanders, die weinig moeten hebben van manifestaties van religie, juist de religieuze discussie aangaan. Omdat die discussie bij voorbaat gedoemd is om te mislukken, is dit een heilloze weg. We moeten ons niet fixeren op religie, maar die fixatie loslaten. Dat kan bijvoorbeeld door religie niet een status aparte te geven temidden van alle motivaties die mensen kunnen hebben om iets wel of niet te doen. De orthodoxe moslim die geen hand wil geven, is dan niet anders dan de boeddhist, Japanner, Thai of orthodoxe jood die dat evenmin doet. De orthodoxe christen die tegen vaccinaties is, is dan niet anders dan de niet-religieuze grachtengordel-Amsterdammer die daar ook niets van moet hebben. Natuurlijk, het probleem is dat er wordt afgeweken van de norm. Maar alleen de gelovige kan een oplossing binnen zijn of haar religie vinden; voor de niet-gelovige ligt de oplossing buiten de religie.

Maurits Berger (jurist en Arabist) is hoogleraar Islam en het Westen aan de Universiteit Leiden. Hij is senior research associate aan Instituut Clingendael, lid van de Adviesraad Internationale Vraagstukken van het ministerie van Buitenlandse Zaken, en hoofdredacteur van het Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid.