Doneer aan de Mr. Hans van Mierlo Stichting

maandag 1 april 2019

Kanalen graven, ook in het kapitalisme

Is het nodig om in groot detail uit de doeken te doen hoe het kapitalisme, sinds men het halverwege de jaren ’80 begon van de leibanden van politieke en maatschappelijke controle te ontdoen, de planeet op de rand van een klimatologische ramp heeft gebracht, en in samenlevingen sociale verwoestijning heeft aangericht? Als de feiten, met grimmige wanhoop door critici, journalisten en onderzoekers gedocumenteerd, niet voor zich spreken, dan ten minste het feit dat oude politieke tegenstellingen waarvan men misschien dacht dat ze in de twintigste eeuw waren achtergebleven weer overal in de Atlantische wereld terug zijn. Het kapitalisme krijgt – zij het nog niet overal – weer weerwoord.

Door Thijs Kleinpaste

Dat weerwoord is energiek en op een prettige manier onverzettelijk, met zowel politieke urgentie als moreel gelijk aan haar zijde, en heropent de vraag die sommigen nog maar drie decennia geleden als gesloten dachten te kunnen beschouwen. Alle uitdagers van de op kapitalistische leest geschoeide liberale democratie waren toen immers verslagen of politiek failliet, en politiek en bestuur zou (in de woorden van een invloedrijke commentator), nu de grote ideologische vragen waren beslecht en de geschiedenis ten einde was gekomen, verworden tot klein bestuurlijk handwerk: het oplossen van economische puzzels en vervullen van consumentenwensen binnen de ideologische grenzen die nu als universeel gezien mocht worden. Alle economische, maatschappelijke en bestuurlijke problemen waren, dankzij de historische triomf van de liberale en kapitalistische democratie, apolitiek geworden.

‘In Frankrijk’ echter, merkte een scherpzinnige observator op, hebben we een voorproefje gehad van wat een fundamenteel gebrek aan invloed van de bevolking op de sociale en economische omstandigheden die hun leven bepalen kan veroorzaken. Een ogenschijnlijk stabiele maatschappij kan, ‘als er een vonk in schiet’, in chaos verzanden. En het ergste aan die situatie is dat een revolutie – die op zulke momenten ineens denkbaar is – waarschijnlijk maar weinig zal oplossen, omdat in tijden van revolutie altijd vooral de autoritair ingestelde leiders boven komen drijven. Daarom, stelde de observator, was het nodig een revolutie te maken ‘voordat die uitbreekt’ – ‘een stille revolutie, die kanalen graaft van de burgers en hun frustraties naar de centra van de macht, en dat met vreedzame middelen.’

De observator, dat moet inmiddels duidelijk zijn, was Hans van Mierlo, en de toestand in Frankrijk betrof niet die van de gilets jaunes anno 2019, maar de Parijse protesten uit 1968. Zijn woorden over de revolutie die gemaakt moest worden voordat ze zou uitbreken zijn, sinds hij ze uitsprak op het partijcongres twee jaar na de oprichting van Democraten ’66, echter langer blijven hangen dan de context waarin ze gesproken werden.

Toch is die context onontbeerlijk. Zonder ‘het verleden in de rug’, zoals Daniël Boomsma opmerkte in zijn nawoord bij De Keuze van D66 is het niet mogelijk om vooruit te kijken. Dat wat men dikwijls visie noemt, is niet zelden de herontdekking in het heden van dat wat om welke reden dan ook in de mist van de tijd was weggezakt. Wat moet D66 met het ongetemde kapitalisme van de eenentwintigste eeuw? Uit welke traditie kan het putten?

Er zijn twee voor de hand liggende denkrichtingen voor een antwoord op die vraag. Allereerst zijn er de dingen die denkende D66’ers door de partijgeschiedenis heen hebben gezegd; daarnaast is er de geschiedenis van het sociaal-liberalisme als onderscheidende politieke stroming, waarin de partij zich na verloop van tijd in heeft gepositioneerd.

Om met de laatste te beginnen – voor zover D66 zich, in Nederland althans, inderdaad met recht een sociaal-liberale partij noemt, valt allereerst op hoe smal de partij die erfenis het afgelopen decennium zelf in sommige domeinen heeft geïnterpreteerd. Als er één kritiek is op de koers van D66 in het recente decennium, dan is het dat de partij vragen van economische aard te vaak heeft beschouwd als zuiver technische vragen, die niet zozeer om een politiek oordeel, als om het oordeel van ter zake deskundige economen (of zelfs van de directe belanghebbenden) vragen, omdat zij – halfgoden vrij van elk belang en iedere invloed die ze zijn – daar het best over kunnen beslissen.

Dat standpunt is echter, in een wat langer historisch perspectief, niet de norm, maar de uitzondering.

De gedachte dat economie buiten het domein van de politiek staat zou door elke negentiende-eeuwse liberale denker, bijvoorbeeld, als tamelijk curieus zijn ervaren. Liberale denkers zagen de economie als een instrument ter verwezenlijking van de liberale idealen. John Stuart Mill, bijvoorbeeld, voorzag een ‘stationaire staat’, waar een basisniveau van collectieve welvaart was bereikt, en elke verdere toename van productiviteit en rijkdom zou worden gebruikt voor het verbeteren van het algemeen welvaren, of het verbeteren van de werk- en leefomstandigheden van alle burgers. En tot halverwege de twintigste eeuw (hoewel de term ‘politieke economie’ toen al even in onbruik was geraakt) zou de gedachte dat het de enige taak van de politiek zou zijn om de economie niet te veel in de weg te zitten, in plaats van de economie te beschouwen als een instrument voor het verwezenlijken van politieke en maatschappelijke ambities. In plaats daarvan zijn wij het, inwoners van het heden, die de historische uitzondering zijn wanneer we denken dat economische en politieke vragen op discrete afstand van elkaar horen te staan. Het feit dat zoveel mensen tegenwoordig niet over economie als een politiek vraagstuk denken is deels het resultaat van de verkaveling en specialisering van academische disciplines die met name in de tweede helft van de twintigste eeuw op gang kwam. Anderzijds is het een reflectie van de dogma’s van het historische tijdperk dat begon tegen het einde van de twintigste eeuw en dat nu ten einde loopt, maar die nog altijd hardnekkig in het heden doorwerken – de dogma’s die zo vanzelfsprekend, zo natuurlijk overkomen, dat ze door de meeste mensen niet eens als dogma worden herkend.

Opnieuw is het wellicht nuttig om de woorden van Van Mierlo uit zijn toespraak over het maken van revolutie voordat die uitbreekt in herinnering te roepen:

“Het slop waar de Nederlandse politieke partijen in zitten is eigenlijk maar een symptoom, een klein onderdeel van de crisis van de hele maatschappij in West-Europa en misschien zelfs van de maatschappij in de rijke wereld. Als je die crisis in een paar woorden wilt samenvatten, dan is het dat de machthebbers in de samenleving steeds meer macht krijgen, en dat er een steeds hogere en steeds ondoordringbaarder muur groeit tussen die machthebbers aan de ene kant en de gewone mensen aan de andere. Die machthebbers zien er anders uit dan vroeger: ze staan niet meer zelfbewust midden op het toneel, met een ‘aureooltje’ van goddelijk recht om hun hoofd; nee, je ziet hen nauwelijks meer. Er zijn erbij die verschrikt zouden ontkennen als je zou zeggen dat ze machthebbers zijn. Ze zijn alleen maar deskundigen, nederige dienaren van hun vakkennis. Ze hebben nu eenmaal meer verstand van hun stukje terrein dan leken, of dat terreintje nu economie is, of politiek, of techniek, of management of bestuurskunde.”

Ruim vijftig jaar later blijven Van Mierlo’s woorden belangrijk (en buitengewoon actueel). Het probleem waar Van Mierlo de aandacht op vestigde is de onzichtbare, maar voor wie aan haar tucht onderworpen wordt onmiskenbare, macht die rust bij experts – bij de “nederige dienaren van hun vakkennis”. De grootste schok voor die dienaren komt wanneer men ze confronteert met het feit dát ze macht uitoefenen. De gedachte dat wat experts doen slechts het dienstvaardig toepassen is van hun kennis op het een of andere onderwerp is bedwelmend, en maakt dat men doorgaans met kalm gemoed de taak uitvoert die men is toebedeeld. De macht die zulke experts uitoefenen is bovendien maar zelden door henzelf geschapen of begeerd. Dat de wetenschap dat ze macht uitoefenen de experts zelf ook min of meer overvalt maakt het feit dat er macht wordt uitgeoefend echter niet minder waar – en die macht blijft zonder betekenisvolle tegenmacht zolang men collectief overtuigd blijft van de gedachte dat men slechts dienstbaar kennis toepast. Om bij de scheiding tussen economische en politieke vragen (door Van Mierlo niet voor niets als eerste genoemd) te blijven: het losweken van economische problemen van hun politieke en maatschappelijke aspecten heeft er aan bijgedragen dat de schijnbare objectiviteit van de economische discipline als een soort wapen wordt ingezet tegen iedereen die wel aandacht vraagt voor de politieke kant van de zaak – alsof de ene positie een verlicht en onbaatzuchtig streven naar de zuivere toepassing van kennis inhoudt, en de andere op een nare manier ideologisch is.

Van Mierlo begreep echter als geen ander dat het organiseren van tegenmacht bij uitstek de kern is van het democratisch project. En hij begreep ook dat het identificeren en bekritiseren van de verschillende verschijningsvormen van macht daarvan een integraal onderdeel is – niet alleen politieke macht, maar ook sociale en economische macht.

Hoe ziet een sociaal-liberale en democratische kritiek op economische macht eruit? Is er een democratische kritiek op het kapitalisme?

Kapitalisme is een systeem van sociale en economische macht, met de machtigste kapitalisten – zij die beschikken over miljarden, die het recht hebben verworven om de natuurlijke grondstoffen van de planeet uit te buiten, of die de kapitaalgoederen bezitten waarvan een lokale gemeenschap afhankelijk is – in de rol van kleine soevereinen in hun eigen (extraterritoriale) heerlijkheden. En dat systeem concentreert die macht bovendien, aan zichzelf overgelaten, dikwijls in de handen van een steeds kleinere groep, met een steeds onevenredige invloed op het leven van miljoenen mensen tegelijk. Het probleem van kapitalisme is niet uitsluitend het feit dat het bezit van kapitaal ongelijk verdeeld is tussen de klassen, en dat de daaruit voortvloeiende sociale ongelijkheid zijn eigen perversiteit vertegenwoordigt. Het probleem is ook dat de macht dikwijls maar amper gecontroleerd, laat staan beteugeld kan worden, waardoor mensen overgeleverd zijn aan uitbuiting en willekeur. Kapitalisme zonder tegenmacht is een democratisch probleem.

De politieke traditie waar D66’ers zich doorgaans in thuis voelen heeft, anders dan het marxisme, geen ultieme tegenstelling die moet worden opgelost. Geen strijd die, zodra die eenmaal is beslecht, een nieuwe harmonie doet aanbreken waarbij aan de noodzaak tot politiek zelf een einde komt. Het verlangen naar een punt voorbij de horizon van de geschiedenis hebben (sociaal-)liberalen niet. De geschiedenis hoeft niet ten einde te komen. Macht blijft altijd bestaan, en blijft vermoedelijk ook altijd ongelijk verdeeld. Maar die ongelijkheid mag, omwille van de democratie, niet te extreem worden, en moet daarom gedempt worden. Te extreme verschillen tussen mensen ondergraaft hun gelijkwaardigheid, en schept een standenmaatschappij, waar een kleine groep zich dankzij haar weelde kan onttrekken aan het democratische samenleven. Daarmee loopt de democratie zelf gevaar. Macht moet, ook daarom, altijd van tegenmacht worden voorzien. Niet om, zoals de marxisten ooit voorstelden, de ene klasse het instrumentarium te geven om zich te ontpoppen tot executeur van een historische profetie op weg naar het aanbreken van de utopie. Wél om de politieke strijd over de manier waarop die macht uitgeoefend wordt, en waaraan wel nooit een einde zal komen, op een meer gelijkwaardige en eerlijke wijze te organiseren. Waar tegenmacht georganiseerd wordt, waar mensen de mogelijkheid krijgen om op een democratische manier de economische macht waaraan ze bloot staan weerwoord te bieden en hun belangen te behartigen, daar wordt ook de positie van het individu sterker.

Voor de vroege D66’ers sprak het daarom voor zich dat men een partij zou zijn tussen de ideologische tegenpolen van liberalisme enerzijds, en die van het socialisme (of de sociaaldemocratie) anderzijds. De eerste was niet bereid haar leerstellingen over de onaantastbaarheid van het privébezit en het gebod dat de staat zich niet zou bemoeien met markt en kapitaal op te geven; de tweede zag onvoldoende voorbij de wetten van de klassenstrijd. Pragmatisme was een woord dat op de lippen van alle eerste D66’ers bestorven lag. Men wilde bovenal niet ideologisch zijn.

Maar dat maatschappelijke vragen niet ideologisch benaderd zouden worden betekende, zoals men destijds ook steeds benadrukte, niet dat ze daarmee ook apolitiek waren. Het verschil tussen beiden is subtiel, maar belangrijk. Een te grote afhankelijkheid van ideologie wijst op het onvermogen te denken dat de realiteit verder reikt dan de abstracties waarmee die te lijf wordt gegaan; een te grote afhankelijkheid van ‘expertise’, die van zichzelf denkt apolitiek te zijn, wijst op het onvermogen te zien dat macht zich ook doet gelden in domeinen buiten die van het politieke in enge zin. Dat is wat Van Mierlo begreep toen hij zijn congresrede hield. Toen de Democraten hun oorspronkelijke Appèl presenteerden, waren daarin vier punten uitgewerkt. De eerste drie waren voorstellen voor een staatsrechtelijke hervorming van Nederland, het laatste punt een bredere (en vager) geformuleerde ambitie voor de “democratisering van de samenleving op alle mogelijke niveaus”. Maar na anderhalf jaar als politieke partij te hebben bestaan stelde Van Mierlo dat het vierde punt misschien het eerste had moeten zijn: “Nú zien we beter dan twee jaar geleden dat deze vier punten sterk samenhangen. Maar, zoals ik al zei, misschien in een iets andere verhouding tot elkaar, in een iets andere volgorde. […] Dat vierde punt, de democratisering van de samenleving, blijkt steeds meer het éérste punt te zijn, het eerste waar alles uit voortvloeit, en waar al het andere een uitwerking van is.”

Hoe democratiseer je een samenleving? En hoe democratiseer je een economie, zodat die werkt voor de samenleving? Veel hangt af van de voorstelling die men maakt over wat die democratie precies inhoudt en zou moeten doen. Socialisten zijn niet zelden geneigd om de democratie al te vlug te vereenzelvigen met de instrumenten van de staat, en die staat vervolgens de regie te laten voeren, waarmee in het slechtste geval de macht van hand wisselt – van privaat naar publiek – maar er uiteindelijk weinig verandert, omdat ook de staat onvoldoende responsief is. Dat kan het antwoord niet zijn.

Daar tegenover staat echter Van Mierlo, voor wie democratisering allereerst een poging is om het individu meer invloed te geven over de omstandigheden van zijn eigen bestaan. Het is niet zozeer de poging om macht uit private handen over te hevelen naar de staat als vertegenwoordiger van het publieke belang, maar om macht, waar die zich voordoet, van tegenmacht te voorzien. In dat scenario is het de staat die de instituties schept en de randvoorwaarden waarborgt, maar niet zelf regisseert. Het project van Van Mierlo is om elke vorm van ten onrechte als vanzelfsprekend ervaren macht (de macht die zich met een oneigenlijk ‘aureooltje’ tooit) te bevragen. Wat houdt dat in? Een blauwdruk is er niet – en dat past ook niet bij het project dat Van Mierlo voorzag. Wellicht is het goed om de vakbonden, ook al kampen die met hun eigen verkalkte machtsstructuur, aan een herwaardering te onderwerpen. Maar meer in het algemeen is het nodig om de economische dogma’s van de afgelopen decennia te herzien. Om de gedachte dat economisch beleid een belangenvrije discipline is op te doeken. Om het primaat van de democratie over de vraag voor wie de economie zou moeten werken te herstellen. Tegenmacht is het versterken van de stem van zij die het minste te zeggen hebben. In een werkende democratie is altijd constructieve tegenspraak—als ze niet gehoord wordt, dan is dat het signaal dat ze nog onvolledig is.

Het uitdagen van de macht is echter zelden een gezellige aangelegenheid. Van Mierlo merkte al op dat mensen met macht er zelden van houden om geconfronteerd te worden met het feit dat zij macht hebben en bovendien uitoefenen. En macht houdt er nog minder van om aan macht in te boeten. Maar wie serieus is over het organiseren van tegenmacht in een kapitalistische economie moet principiële keuzes maken, en bijvoorbeeld beseffen dat noch de belangenorganisaties van het bedrijfsleven, noch de specialisten, noch de lobbyisten en de vertegenwoordigers van de in Nederland gevestigde multinationals die schermen met hoe goed ze wel niet zijn voor de samenleving, terwijl ze met de fiscus afspraken maken over hoe ze zo min mogelijk belasting af hoeven te dragen over hun winst – dat die partijen niet de partijen zijn waarmee men broederlijk om tafel zou moet willen zitten. Het scheppen van democratische tegenmacht is het scheppen van instituties die aan politiek conflict tussen machthebbers en zij die aan macht bloot staan structuur geeft. Niet om die macht met eerbied en deemoedigheid te behagen, maar om haar te bevragen, tegengas te geven, belangen te dienen die anders genegeerd worden, en waar nodig dwars te zitten. Tegenmacht is pas betekenisvol als het kan uitdagen én winnen.

Wat betekent dat? Over vorm en invulling kan men vruchtbaar twisten. Maar dat debat kan niet plaatsvinden voordat er iets anders gebeurt, iets belangrijkers. Eerst moet het principe erkend worden dat ook in het economisch domein tegenmacht georganiseerd moet worden om de belangen van burgers te dienen. Die opdracht is het grootst, omdat daarvoor iets moet gebeuren binnen de partij zelf. Op zijn woorden over het maken van revolutie voordat die uit zou breken, en het graven van kanalen naar de macht, liet Van Mierlo destijds een sombere waarschuwing volgen. Het was dé grote opgave voor D66 en iedereen die de nieuwe politiek een warm hart toedroeg. De oude partijen konden simpelweg niet aan die opgave voldoen: “Ze staan – voor de kiezer – aan de verkeerde kant van de muur.” Waar het haar eigen voortdurende gehechtheid aan de economische dogma’s van gisteren betreft neemt het D66 van nu de positie in van de oude partijen van toen. Ze staat, lijkt het, aan de verkeerde kant van de muur, en het is nog maar de vraag of men aan de opgave om opnieuw de kant van de burger te kiezen kan voldoen. Er kan en moet gediscussieerd worden over hoe tegenmacht in tijden van mondiaal kapitalisme eruitziet. Maar als D66 daarin een rol wil spelen, dan is het eerste wat moet veranderen de partij zelf.