Doneer aan de Mr. Hans van Mierlo Stichting

dinsdag 11 juni 2019

‘Niet investeren in de autonomie van mensen is een gemiste kans’

Hoe belangrijk is autonomie? En in welke mate moet de overheid autonomie van mensen in haar beleid bevorderen? Volgens filosoof Joel Anderson, als universitair hoofddocent verbonden aan de Universiteit Utrecht, is het minstens zo cruciaal dat mensen keuzes zelf kunnen en dat ze niet voorgekauwd zijn via een “keuzearchitectuur”. Hij stelt dat de overheid nu soms een houding aanneemt die lijkt te zeggen: ‘wij kunnen beter voor anderen kiezen’. Het is niet verkeerd dat de overheid mensen wil helpen bij het maken van keuzes, maar als dit gebeurt vanuit de gedachte dat deze weet wat het beste voor de mensen is, dán wordt het onwenselijk, aldus Anderson. 

Interview door Daniël Boomsma en Laura Spoelman

De afgelopen jaren is gedragsbeïnvloeding via overheidsbeleid in populariteit toegenomen. Ideeën over libertair paternalisme en nudging hebben hun weg gevonden naar ministeries, en lijken daar als vanzelfsprekend te worden aanvaard. Hoe komt dat?
‘Vanaf de ambtstermijnen van Ronald Reagan en Margaret Thatcher heeft het idee zich doorgezet dat de overheid het probleem is en dat er meer ruimte moet komen voor individuele vrijheid. Maar vooral in de laatste 15 jaar is er meer aandacht gekomen – mede door de politieke actualiteiten – dat irrationele individuele psychologische processen bij mensen een grote rol spelen, en dat er potentieel desastreuze gevolgen kunnen zijn van een obsessie met keuzevrijheid. Een bepalend moment was de financiële crisis van 2008. Zo ontstond een spanning: aan de ene kant het streven naar het behouden van keuzevrijheid en aan de andere kant het politieke besef dat dit problematisch kan zijn. In dezelfde periode werden onderzoeksresultaten uit de gedragswetenschappen en behavioral economics goed in de markt gezet als nieuwe wetenschappelijke stroming. Wetenschappers als Sunstein & Thaler [van het boek Nudge, red.] of Nobelprijswinnaar Daniel Kahenmann wisten hun ideeën goed te presenteren als een alternatief op laissez-faire – met behoud van keuzevrijheid. Voor de politiek is dat een heel aantrekkelijk beeld: er wordt niks verboden, mensen worden alleen geholpen bij het maken van keuzes. Dat verklaart deels de populariteit ervan.’

U pleit juist voor autonomie als kernwaarde.
‘Klopt, maar er zijn meerdere manieren om autonomie te benaderen – niet alleen dat je zonder belemmeringen je eigen gang mag gaan. Autonomie kan ook betekenen dat wat je doet overeenkomt met wat je echt wil dat je doet, en zo bezien kan keuzegemak helpen om juist meer ‘zelfbepalend’ te zijn – door minder belast te zijn door allerlei prikkels en verantwoordelijkheden. Hierbij kunnen persoonlijke gewoontes en institutionele routines je gevoel van vrijheid en “flow” verhogen. Daartegenover staan benaderingen die autonomie begrijpen als het zelfstandig maken van keuzes. Zo gezien is het cruciaal voor autonomie dat je keuzes zelf maakt en dus dat ze niet voorgekauwd zijn via een “keuzearchitectuur”.

Autonomie is in mijn ogen een belangrijk ideaal, en daarnaast betekent respect voor autonomie dat we verplicht zijn te erkennen dat elke ander persoon in welke situatie dan ook, óók keuzes maakt en een eigen perspectief heeft. Daar bestaat een sterk verband met democratie. In een democratie moeten we erg uitkijken met de gedachte dat het evident is wat mensen “eigenlijk” willen en wat goed voor ze is. In het soort gedragswetenschappen waar nudging onder valt, wordt die gedachte heel sterk aangemoedigd. Daar wordt vaak erg snel geconstateerd dat mensen niet in staat zijn zelf te kiezen.’

In academische kringen hoor je ook kritiek op dat autonomiebegrip.
‘Sommigen zien autonomie als iets wat mensen wel waardevol vinden en als plezierig ervaren, dat het gewoon een voorkeur is, meer niet. Sunstein neigt hiernaar: de één wil meer en de ander wil minder autonomie. Een implicatie hiervan is dat het steunen van autonomie als een kostenpost gezien wordt, iets dat in de weg kan staan van andere politieke doelen. Zo bezien heiligt het doel de middelen, óók als de autonomie van mensen sneuvelt. Daar tegenover staat het idee dat autonomie een groot goed is, dat verbonden is met het ideaal van menselijke waardigheid en welzijn – op basis waarvan maatschappelijke verplichtingen ontstaan, om de autonomie van burgen te faciliteren.’

Heeft u meer bezwaren tegen een irrationele keuze of tegen een niet-autonome keuze?
‘Dat zijn begrippen die op verschillende manieren te interpreteren zijn. Een irrationele keuze wordt bestempeld als een keuze waarvan iemand later spijt heeft. Een keuze die een persoon had kunnen voorzien, maar dat niet deed. Een niet-autonome keuze wordt geformuleerd als een keuze waar mensen geen aandacht aan hebben besteed, iets dat ze vrij automatisch doen. Zo bekeken denk ik dat we relatief minder politieke nadruk moeten leggen op het voorkomen van verkeerde keuzen en meer op het ondersteunen van goede overwegingen. We moeten vertrouwen hebben in dat proces bij mensen. Je kan niet-autonome keuzes hebben waar het ‘keuze proces’ bagger is, maar het resultaat goed, bijvoorbeeld omdat iemand impulsief handelt. Maar daar leren we niets van; we snappen niet hoe het komt dat we die resultaten hebben bereikt. Ik betwist niet dat mensen allerlei gebreken hebben; mijn punt is alleen dat ze betrokken moeten blijven bij de interventies.’

Terug naar de politiek. U heeft gezegd dat de overheid een arrogante houding aanneemt als het om de autonomie van burgers gaat. Wat bedoelt u daarmee? Ten opzichte van wie is dat en in hoeverre is het kwalijk?
‘Niet altijd. Wat ik ermee bedoel te zeggen is, dat er soms een houding bij de overheid (of experts) is, die lijkt te zeggen: ‘wij kunnen beter voor anderen kiezen’. Zo veracht paternalisme autonomie: het beoordelingsvermogen van sommige burgers wordt genegeerd en omzeild. De vorm die dat nu aanneemt, is wat soms ‘asymmetrisch paternalisme’ wordt genoemd: omdat sommigen in mindere mate beschikken over vaardigheden om moeilijke keuzes te maken en het vermogen tot zelfbeheersing ontberen, moeten we hen meer steun bieden. De personen die dit niet nodig hebben, krijgen meer vrijheid. Neem het eigen risico in de zorg. Je kunt zeggen: uit onderzoek blijkt dat mensen met bepaalde eigenschappen waarschijnlijk een te hoog eigen-risico bij een verzekeringspolis afsluiten, waardoor ze in een later stadium in de problemen komen. Vervolgens komt er beleid dat het voor iedereen heel moeilijk maakt om een hoog eigen-risico verzekering af te sluiten. Mensen met de middelen om een ziektekostenpolisadviseur in te schakelen, kunnen alsnóg een optimale en hoge verzekeringsovereenkomst afsluiten en complexe regels managen. Dat geldt niet voor mensen met minder ‘keuze- en doenvermogen’. Zo ontstaat er zoiets als een ‘twee-klassen-benadering’. Mensen die in lagere sociaaleconomische klassen zitten, ervaren de situatie als oneerlijk en vragen zich af hoe het kan dat zij de dupe zijn van het beleid. Anderen plukken er de vruchten van en krijgen meer voor minder. Die ‘twee-klassen-benadering’ is arrogant, zonder dat misschien zo bedoeld is.’

Is het beschermen van bepaalde groepen niet ook een kwestie van rechtvaardigheid?
‘Daar heeft het ook mee te maken. Wat vaak niet is meegenomen in deze discussie, is op welke manier we willen dat mensen kunnen deelnemen als gelijkgestelden aan het tot stand komen en uitvoeren van dit soort beleid. Nancy Fraser, een van de leidende figuren in de kritische-sociaal theorie ná de generatie van Frankfurter-Schule filosoof Jürgen Habermas, noemt dit ‘the principle of participatory parity’: het faciliteren van de echte mogelijkheid tot participatie als iets waartoe wij verplicht zijn om sociale exclusie te voorkomen. Dat gaat dus niet over de participatiemaatschappij. Het gaat over het idee dat mensen een fundamentele democratische claim hebben om betrokken te zijn bij hoe hun leefwereld vorm krijgt. Betrokkenheid vergt dat mensen kunnen begrijpen waarom het zinvol is om bepaalde keuzes of offers te maken. Het is cruciaal dat mensen zien waarom het belangrijk is. En ik denk dat we een heleboel politiek kapitaal verspillen – Habermas noemt dit de ‘Legitimationskrise’ – wanneer de overheid of experts het voor mensen gaan beslissen onder het mom van efficiëntie of omdat iets vanzelfsprekend zou zijn. Zo ontstaat een wereld waarin mensen ineens niet meer begrijpen waarom die is zoals die is. Als dan vervolgens de overheid weer grote offers van ze vraagt, dan vragen ze zich ook af: ‘Waarom moet ik weer concessies doen?’ En dan trekken ze een geel hesje aan.’

Aan de andere kant signaleert u juist een ‘autonomiekloof’. Wat is dat precies? Wat kan je eraan doen en wat is er problematisch aan?
‘Een autonomiekloof ontstaat in situaties waarin van mensen geacht wordt bepaalde vaardigheden te hebben om autonome keuzes te maken – zoals het maken van beslissingen maken, denken aan de lange termijn of het weerstaan van verleidingen – terwijl het eigenlijk al duidelijk is dat ze dit (nog) niet kunnen. Deze autonomiekloven ontstaan vaak, omdat er beleid wordt ontwikkeld zonder rekening te houden met waartoe mensen in staat zijn. Dat er meer wordt verwacht van wat mensen aan kunnen. Voor mensen zelf is dat vaak een bron van enorm veel frustraties. Een voorbeeld: als Amerikaans staatsburger mag ik stemmen op rechters of ze hun functie mogen bekleden. Tegelijk is het rechters verboden campagne te voeren. Je staat dan dus in het stemhokje en er wordt verwacht dat je een doordacht besluit neemt, terwijl er geen goede basis is om een beslissing te maken. Dat werkt vervreemdend. Omgaan met schulden is nog een goed voorbeeld. Mensen in hogere sociaaleconomische klassen zijn meestal omringd door een netwerk dat op een informele manier kan helpen bij het voorkomen dan wel afbetalen van schulden. In andere milieus ben je uitgeleverd aan je eigen inschattingsvermogen van wat je in zo’n situatie moet doen, vaak met slechte voorbeelden om je heen en enorm veel stress. Dat raak je overmand door de ervaring ‘niet mee te kunnen’. Dat is de autonomiekloof waar ik over spreek.’

Is het een ‘selffulfilling prophecy’? Wie uitgaat van de niet-autonome mens, en daar vervolgens beleid op maakt, heeft als gevolg dat mensen minder gewend raken zelf keuzes te maken.
‘Vaak wel. Mensen handelen in lijn met de verwachtingen die je aan ze stelt. Wanneer je verwacht dat iedereen de meest luie keuzes maakt, dan is er bij mensen wel een versterking van de neiging om dat ook te internaliseren. Het tegenovergestelde is dat juist wordt verondersteld dat mensen in staat zijn het zelf te kunnen kiezen. Het gaat er om dat die autonomiekloof wordt gedicht aan beide kanten. Enerzijds kent onze samenleving een hypercomplexiteit, die we kunnen oplossen door het simpeler te maken of door mensen de vaardigheden aan te leren met die complexiteit om te gaan. Soms dicht je de kloof tussen verwachting en menselijk vermogen door hulpmiddelen aan te reiken. Soms is het beter als de overheid kiest voor beleid dat meer eist van burgers. Dan houd je rekening met mensen die het niet kunnen bijbenen en zet je in op ondersteunende maatregelen die mensen een extra handje kunnen helpen. Dus bijvoorbeeld: gratis belastingadvies voor mensen onder een bepaald opleidingsniveau. Het is de uitdaging – ook voor de overheid – om de omstandigheden zo te scheppen dat keuzes uitvoerbaar (niet te complex) en uitdagend zijn en dat mensen de middelen hebben om die keuzes aan te kunnen.’

Wat moet er bij de overheid veranderen?
‘Als je kijkt wat de overheid nu doet is keuzesituaties zo structureren dat mensen de juiste prikkels krijgen en verleid worden om iets te doen. De overheid is dan vooral bezig met het bereiken van resultaat. Er wordt veel minder nagedacht over hoe mensen op de lange termijn in staat zijn om uitdagingen aan te gaan en autonoom keuzes te kunnen maken – of gevaarlijke situaties te anticiperen. Het is niet verkeerd dat de overheid mensen wil helpen bij het maken van keuzes, maar als dit gebeurt vanuit de gedachte dat deze weet wat het beste voor de mensen is, dán wordt het onwenselijk. Niet investeren in de autonomie van mensen is een gemiste kans.’

Dit interview is een onderdeel van het onderzoek naar de Risico-averse overheid. Meer informatie over het onderzoek vind u op deze pagina.