Doneer aan de Mr. Hans van Mierlo Stichting

vrijdag 5 juli 2019

De mythe van de klassenloze samenleving

Waar denken in termen van klasse ooit doodgewoon was, is het nu taboe, zeker onder liberalen. De meritocratie en emancipatie brachten de afgelopen decennia toch de zege van een klassenloze samenleving? Nieuwe scheidslijnen in Europa tonen echter dat klasse terug is van weggeweest.

Door Daniël Boomsma

(Dit artikel verscheen in de Idee over tweedeling)

Eind 2018 werd Frankrijk opgeschrikt door hevige en zelfs gewelddadige protesten van Les Gilets Jaunes. Vele duizenden Fransen, met gele veiligheidshesjes aan, protesteerden tegen de voorgenomen fikse belastingverhoging van de regering Macron, die de prijzen aan de benzinepomp omhoog zouden doen schieten: 1 euro en 59 cent per liter, een stijging van 17%. Het protest groeide uit tot een aanklacht tegen een regering die een onderlaag van de samenleving zou zijn vergeten. Macron zèlf stelde dat ‘geen belasting het waard is, de eenheid van de natie op het spel te zetten.’

Maar die eenheid leek niet op het spel te staan: een ruime meerderheid van de Fransen stond sympathiek tegenover de Gilets Jaunes. Hoe divers de daaropvolgende eisen en motivaties ook waren, en hoe gewelddadig sommige kanten van het protest ook bleken, ze bewezen dat Frankrijk te maken heeft met groeiende klassentegenstellingen. Le Monde durfde het zelfs aan te spreken van een ‘klassenoorlog’, een fundamentele botsing van materiële belangen tussen groepen.

Dat Macron en zijn liberale vrienden verrast leken, was omdat zij zijn verleerd na te denken in termen van klasse. Dit zou iets uit het verleden zijn. Maar in Frankrijk, in Europa, is klasse terug van (nooit) weggeweest. Steeds vaker wordt gesproken van scherpere maatschappelijke scheidslijnen en ongelijkheden. Ook in Nederland. Zo stelt het Sociaal Cultureel Planbureau dat Nederland een randstedelijke gevestigde bovenlaag kent met kapitaal en economische kansen, die de vruchten plukt van nieuwe welvaart, globalisering, Europa en migratie, maar ook een onderlaag met weinig zekerheid over werk en inkomen. De belangen van die groepen botsen. Sommige klassen ervaren de nadelen van maatschappelijke ontwikkelingen als globalisering en het politiek beleid dat daarop volgt. Anderen hebben er baat bij, klampen zich aan hun privileges vast en geven die door aan hun kinderen.

Moderne mensen liberalisme’
Dat het tegenwoordig nog maar zelden over klasse gaat, hangt samen met een aanname onder voornamelijk hogeropgeleiden dat wezenlijke belangentegenstellingen in de samenleving zijn verdwenen door enorme welvaartsgroei en toegenomen sociale mobiliteit. In een geïndividualiseerde meritocratie zijn verschillen tussen groepen een kwestie van nuance. Wie in gegoede liberale kringen over klasse begint, stuit dan ook doorgaans op onbegrip. ‘Zo spreken in termen van groepen doet geen recht aan de werkelijkheid,’ klinkt het dan. Elk individueel geval is anders. De sociaal-economische en politieke categorie die klasse ooit was, lijkt nu een taboe.

Die manier van denken gaat uit van het idee van de klassenloze samenleving. Er is in de politiek immers altijd zoiets als een ‘win-win’ situatie: zolang de welvaart groeit, kan die door rationeel beleid ten goede komen aan iedereen. Deze dominante opvatting noemde de Brits-Franse schrijver en journalist Ben Judah een soort ‘moderne mensen liberalisme’. In een artikel in American Interest omschreef hij dat liberalisme als een stroming die vergeten is dat in een wereld met beperkte middelen er altijd groepen zijn die winnen en groepen die verliezen, óók in welvarende en (schijnbaar) geëmancipeerde liberale democratieën. Het is zelfs een fundamenteel aspect van politiek. Macron dacht echter niet in termen van belangentegenstellingen tussen klassen. Dat maakte het sluimerende onbehagen voor hem onzichtbaar. Macron’s ‘pro-groei’ beleid bleek bovendien een beleid waar vooral een toplaag van profiteerde. Zo gingen welgestelde Fransen er in koopkracht sterk op vooruit, ook door het afschaffen van de belasting op vermogen in onroerend goed. Judah schrijft:

“Politiek werd teruggebracht tot onenigheden over het verdelen van een steeds groter wordende taart. Maar nu een eerlijke verdeling van [de opbrengsten van] groei op lossen schroeven staat, en technocratische oplossingen om dat te corrigeren falen, is politiek als strijd terug.”

De Franse geograaf Christophe Guilluy voorspelde deze ontwikkeling al ruim vóórdat de gele hesjes in opstand kwamen. In 2014 schreef hij La France périphérique, een schets van nieuwe sociale breuklijnen in Frankrijk. In zijn vorig jaar verschenen boek Twilight of the elites. Prosperity, the periphery and the future of France reikt hij opnieuw woorden aan om te denken over klasse. Termen als klassenstrijd, klassenstrategie, onderklasse en bovenklasse zijn de rode draad van zijn, geregeld retorische, betoog.

Macron is volgens Guilluy de president voor een klasse waar het goed mee gaat. Die klasse van winnaars plukt de vruchten van globalisering, terwijl een andere klasse er vooral de negatieve gevolgen van ondervindt. Die tegenstelling is geografisch te duiden. Er zijn in Frankrijk door globalisering nieuwe ‘citadels’ ontstaan: in de centra van grote steden als Parijs worden welvaart, en culturele en politieke invloed gecentreerd. Er woont een ‘dominante klasse’ die baat heeft bij ‘offshore’ productie, internationalisering van arbeid, goedkope migrantenkrachten en vrijhandel. Deze ‘nieuwe bourgeoisie’ van ‘Hoger Frankrijk’ weet zich door zelfsegregatie verzekerd van een volwaardige en toekomstbestendige plek in de samenleving.

Lager Frankrijk’ aan de andere kant, dreigt onzichtbaar en overbodig te worden. Die groep bestaat voornamelijk uit de (voormalige) arbeidersklasse en de lage middenklasse, de verliezers. Zij hebben te maken met dalende levensstandaarden, stagnerende inkomens en weinig uitzicht op vast werk. Die klasse – 60% van de bevolking – leeft in de ‘periferie’. Dit is het Frankrijk van dorpjes, buitenwijken van grote steden en middelgrote stadjes waar de welvaart wegsijpelt, bedrijven en ondernemers niet willen zitten, universiteiten niet zijn te vinden en banen verdwijnen. De ‘Lager Frankrijk’ klasse laat zich niet beperken tot etnische achtergrond, integendeel. Ook mensen met een migratieachtergrond, die voornamelijk in stedelijke buitenwijken wonen, vallen eronder.

Wat Guilluy aankaart is de mythe van de klassenloze samenleving uit het ‘moderne mensen liberalisme’ waar Judah over spreekt. De omarming van die mythe komt de bovenklasse goed uit. Ze komt zo niet over als een egoïstisch. Er zijn immers geen klassen, en dus ook geen wezenlijke klassentegenstellingen. Er zijn alleen ‘netwerken’. Maar terwijl een bovenklasse zich verschuilt achter ‘geruststellende retoriek’, is de werkelijkheid anders. Er is weliswaar geen ‘duistere motivatie om de armen uit te drijven’, maar het Frankrijk van de periferie is simpelweg overbodig. Parijs, centrum van welvaart en macht, is nodig – plekjes als Cantal, Neuilly-sur-Seine en Béthune niet. Een Franse krant schreef zelfs provocerend: Parijs in 2019 is wat Versaille in 1789 was.

Klassentegenstellingen in Nederland
Guilluy benadrukt dat het hem niet te doen is om de aloude discussie tussen rijk en arm. Het bekritiseren van ‘de rijken’, net zoals het pleiten voor het basisinkomen, is slechts een afleidingsmanoeuvre om het maar niet over de nieuwe klassentegenstelling te hebben. Die tegenstelling gaat over iets fundamentelers: de afbrokkelende samenhang tussen de bovenkant en een onzichtbaar wordende onderkant van samenlevingen in Europa.

Guilluy twijfelt er niet aan dat de nieuwe klassentegenstellingen ook buiten Frankrijk aan de orde zijn. Er is een periferie in de Verenigde Staten en in het Verenigd Koninkrijk, waar mensen voor Brexit stemden of in de stedelijke buitenwijken waar in 2011 rellen uitbraken. En er is een periferie in Nederland, in provincies en in buitenwijken van steden. In Nederland is de situatie natuurlijk niet hetzelfde als in Frankrijk. Toch zijn op z’n minst de symptomen ervan zichtbaar. Waar klassenbelangen vroeger waren ondergebracht in het verzuilde systeem – arbeider en notaris zaten in hetzelfde schuitje – is die lotsverbondenheid met de ontzuiling verdwenen.

Toch worden de scherpe randjes van nieuwe klassentegenstellingen in Nederland doorgaans vermeden of weg gerelativeerd in het taalgebruik. Dat er vaker van ‘hoog- en laagopgeleiden’ wordt gesproken is daar illustratief voor. Het is ook niet zo dat alle maatschappelijke tegenstellingen worden gevoed door klassentegenstellingen. De socioloog Max Weber (1864–1920) maakte bijvoorbeeld al een onderscheid tussen ongelijkheid op het gebied van cultuur (‘stand’), economie (‘klasse’) en politiek (‘partij’). Het Sociaal Cultureel Planbureau durfde het niet zo lang geleden wel aan de term klasse te gebruiken. Enerzijds constateerde het SCP in Verschil in Nederland (2014) en Gescheiden werelden (2014) een steeds groter wordende kloof langs lijnen van opleiding, ‘de nieuwe kloof of tweedeling in de Nederlandse samenleving’. Die tegenstelling is cultureel (‘stand’).

Anderzijds schetste het SCP nieuwe klassentegenstellingen. Aan de ene kant zijn een kapitaalarm ‘precariaat’ en onzekere werkenden te vinden, vrij naar Guilluy ‘Lager Nederland’. Zij zijn pessimistisch over de toekomst. Aan de andere kant staat een kapitaalkrachtige ‘gevestigde bovenlaag’. Zij zijn tevreden en optimistisch. Een geografische segregatie tussen die twee klassen is er ook – al is die minder sterk dan in Frankrijk. De bovenlaag woont in goede wijken in steden, het precariaat en de onzekere werkenden vaak daarbuiten in wat vriendelijk ‘aandachtswijken’ worden genoemd. Bovendien heeft de bovenlaag een breed netwerk onder professionals, terwijl de onderkant in veel beperkter kring leeft.

Het SCP signaleert een ‘zachte tweedeling’ met twee sociale klassen aan de uiteinden. De afstand ertussen is groot. De conclusie van het Planbureau is ook helder: de mythe van een klasseloze samenleving houdt geen stand. Waar sommigen baat hebben bij de economische en politieke status quo, zien anderen er nauwelijks of niets van terug in het dagelijks leven. Het zijn bepaalde groepen die buiten de boot vallen. Dat dit ook tot politiek ongenoegen leidt in de door een bovenlaag gedomineerde Nederlandse democratie, is niet verrassend.

Volgens geograaf Ewald Engelen is het onvermogen in termen van klasse te spreken toe te wijzen aan het feit dat ‘wij niet meer over de woorden beschikken om belangentegenstellingen te thematiseren’. Het is dus een politiek onvermogen. Dat is deels te wijten aan wat Engelen de ‘technocratisering van de academische economiebeoefening’ noemt. Economische vraagstukken zijn wiskundige analyses geworden. Anderzijds is er een culturele weigering bij veel mensen zichzelf in te delen in klassen – ‘tenzij in één grote amorfe middenklasse…’ zo schrijft het SCP. Klasse in Nederland gaat zo meestal over hockeyers uit het Gooi, getatoeëerde Hagenezen of de grachtengordelelite, in plaats van materiële belangentegenstellingen. Tussen een dergelijke relativering en volledige ontkenning zit maar een kleine stap.

Rationele en irrationele politiek
Onder de ontkenning of niet zien van klassentegenstellingen, schuilt het gevaar van ‘klasseanimositeit’. Dit gaat om onbegrip, paternalisme of regelrecht dedain. De reactie op de gele hesjes in Frankrijk liet dat vooral zien. Het dedain komt noodzakelijkerwijs voort uit het ‘win-win denken’ van een bepaald soort liberalisme. Er bestaat in dat denken een tweedeling tussen een rationele en een irrationele politiek: een politiek van de fictie zonder ‘oplossingen’ en een politiek van de feiten met ‘oplossingen’. Zo ontaarden goede bedoelingen in dedain over de klassen, die lijken te kiezen voor de politiek van de fictie. In sommige liberale kringen heerst het idee dat politiek zo is verworden tot een strijd tussen ‘verlichte, vooruitkijkende aanhangers van de open samenleving’ en de ‘verdedigers van het verleden’, in de woorden van Guilluy. Typerend voor die vermeende tegenstelling waren de woorden van de Franse filosoof Bernard Henri-Levy over Brexit: ‘De overwinning van het kleine op het grote, van domheid op geestrijkheid.’

De positie van morele superioriteit onder sommige Fransen degradeerde een onderklasse tot onnadenkende onaangepasten. In een artikel getiteld ‘De klassenoorlog van Frankrijk’ blikte Le Monde Diplomatique in februari dit jaar terug op wat opiniemakers en kranten hadden geschreven over de protesten van de gele hesjes. ‘Gele hesjes, zal de domheid winnen?’ kopte Le Point. Le Figaro suggereerde dat de laagste instincten van Frankrijk naar boven kwamen. Marianne schreef dat een haatdragende minderheid de gele hesjes zou aanvoeren. Le Monde sprak zelfs van een ‘horde losers en plunderaars’. De filosoof Pascal Bruckner toonde zich later in Le Figaro opgelucht dat de politie de Franse Republiek van ‘de barbaren’ had gered.

Uiteraard waren het ten dele reacties op de onaanvaardbare vernieling en het geweld dat bijvoorbeeld in Parijs plaatsvond. Ook het antisemitisch bedreigen van de filosoof Alain Finkielkraut door sommige demonstranten, wekte terecht veel morele verontwaardiging op. Toch merkte Le Monde de Diplomatique op dat het niet alleen ging over het geweld, maar dat het verwijt veel fundamenteler was: dat de gele hesjes simpelweg niet in staat waren de wereld op een redelijke manier te zien. Vergelijkbaar was Hillary Clinton die tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2016 aanhangers van Trump een ‘basket of deplorables’ noemde.

Klasse wordt zo een morele categorie. Lagere klassen zouden onwetend zijn en een gebrek aan informatie hebben over hoe de wereld ‘werkt’. Zij moeten in de verkiezingsstrijd duidelijk worden gemaakt dat ze niet tegen ‘de toekomst’ moeten stemmen. Tégen hun eigen belangen, zonder dat ze het zelf misschien door hebben. Die houding noemde het SCP subculturele bijziendheid: de neiging het eigen wereldbeeld en toekomstvisie als rationeel te zien. Zo blijven echter klassentegenstellingen verborgen en kunnen politieke tegenstellingen worden teruggebracht tot een aangenaam overzichtelijke strijd tussen ratio en het gebrek daaraan. Of zoals Le Monde schreef:

“Politieke legitimiteit hangt dan niet langer af van een visie op de wereld – kapitalistisch, socialistisch, nationalistisch of internationalistisch, conservatief of emancipatoir, autoritair of democratisch – maar van een tegenstelling tussen hen die redelijk en hen die radicaal zijn, tussen open en gesloten, tussen progressief en populistisch.”

Natuurlijk kan het klassen-denken hier ook haar beperking hebben. Ideeën doen er toe. Het zou kortzichtig zijn te suggereren dat bepaalde klassen altijd bepaalde ideeën hebben. Universele waarden worden vaak geassocieerd met hogere klassen bijvoorbeeld en nationalisme met de onderklasse. Frankrijk kent een lange traditie van nationalisme en die ontstond ruim voordat het land de gevolgen van de globalisering werd geconfronteerd. Deze ideeën zijn bovendien de afgelopen jaren uitgedacht door een intellectuele bovenlaag in Frankrijk, bijvoorbeeld Renaud Camus en Eric Zemmour. Er is ook ideologisch conflict. Juist het idee dat dit conflict eigenlijk alleen een botsing is tussen een politiek van ‘win-win’ en een ‘politiek zonder oplossingen’, voedt slechts de klasse animositeiten.

Verandering van denken
Begin vorige eeuw was het vanzelfsprekend over klasse te spreken, ook onder liberalen. Klassentegenstellingen werden als reëel politiek vraagstuk gezien op links en rechts. Het was vooral de vraag hoe ermee om te gaan. Vorige eeuw werden de klassentegenstellingen getemperd door de kloof ertussen te dichten. De staat werd ingezet als breekijzer tegen economische machten, voor het verhelpen van sociale misstanden, het beëindigen van geconcentreerde welvaart en eigendom (bijvoorbeeld van grond) en voor democratische hervormingen. De gevestigde klasse en hun verouderde economische liberalisme maakten langzaam plaats voor nieuwe ideeën. Sociaal onrecht werd bestreden, een revolutie afgewend.

De moeilijkheid is dat er vandaag de dag geen taal voor handen is om de tegenstellingen te bestrijden. Een belangrijk deel van de politieke klasse beleids- en opiniemakers – leeft in de illusie dat klassentegenstellingen niet bestaan. Zo volgde op de protesten van de gele hesjes een reeks voorstellen van de regering Macron, waaronder een nieuwe belasting op huishoudens met een eigendom ter waarde van meer dan 1,3 miljoen en een strikter vergoedingenbeleid voor politici. Ook het referendum als inspraakmiddel wordt overwogen. Maar geen van die voorstellen raakte aan de kern van de problematiek. Voor liberalen als Macron is meer nodig, een fundamentele verandering van denken.

Het idee van een conflictloze ‘win-win politiek’ is het eerste en voornaamste obstakel voor die verandering van denken. Kunnen denken in klassentegenstellingen moet weer onderdeel van de politiek worden. Daar hoort ook de vraag bij: voor wie neem je het op? Welke belangen zijn het vanwege redenen van rechtvaardigheid waard om te behartigen? Het vraagt om het aanvaarden van conflict, of in de woorden van Ben Judah: politiek ‘zonder de vrolijke illusie dat er geen slachtoffers zijn’ van beleid. Je hoeft geen marxist of socialist te zijn om op die manier over klasse na te denken.

Een verandering van denken vraagt van de bovenlaag in Europa, van de binnenwereld van de politieke macht, zelfreflectie. Politieke tegenstellingen die een tweedeling schetsen tussen intelligent en dom, tussen genuanceerd en extreem of tussen ‘open en gesloten’ zijn vooral aangenaam voor een maatschappelijke bovenlaag. Zij komen er goed vanaf. Tegelijkertijd verdoezelt het de materiële klassentegenstellingen, die niet zijn te vatten in een clichématig verhaal over ‘open tegenover gesloten’. Wezenlijke ideologische verschillen moeten uiteraard niet genegeerd worden. Daarbij hoort echter wel de vraag of niet gebruikt wordt gemaakt van wat Guilluy een ‘klassenwapen’ noemt: het claimen van morele superioriteit.

De belangrijkste verandering in het denken van liberalen is dat ze zich veel ruimhartiger zouden moeten bezighouden met de onderlaag van de samenleving. Dan heb je het over Guilluy’s periferie of wat het SCP de onzekere werkenden en het precariaat in Nederland noemt. Het is weinig liberaal om de taal van vooruitgang en rechtvaardigheid te spreken, maar in de praktijk de belangen te behartigen van een bovenlaag, of dat nu bewust of onbewust is.

Wellicht heeft het niet-denken in termen van klasse onder ‘moderne mensen liberalen’ te maken met het feit dat deze mensen de gevolgen van politiek zelden écht aan den lijve ondervinden. Voor hen is politiek meestal, zoals de Franse schrijver Eduard Louis het omschreef in zijn roman Ze hebben mijn vader vermoord, ‘een esthetische kwestie: een manier om over zichzelf te denken, een manier om de wereld te zien…’ Voor veel anderen is dat echter niet zo. Voor hen staat er iets op het spel.