Doneer aan de Mr. Hans van Mierlo Stichting

vrijdag 5 juli 2019

Nieuwe ongelijkheid vraagt om nieuwe politiek

De gelijke kansenpolitiek heeft nieuwe vormen van ongelijkheid als onbedoeld gevolg. Ongelijke mensen gelijke kansen geven is niet rechtvaardig. De politiek moet op zoek naar manieren om om te gaan met verschillen tussen mensen. Een pleidooi voor kleinschaligheid.

Door Kees Vuyk

(Dit artikel verscheen in de Idee over tweedeling)

Sociale ongelijkheid was eeuwenlang een kwestie van afkomst. Waar je wieg had gestaan bepaalde je sociale status. Kinderen hadden weinig keus. De meeste jongens volgden hun vader naar het land of de fabriek, meisjes sleten hun levens net als hun moeders achter het wasbord en het aanrecht.

In democratische samenlevingen ontstond onvrede over deze situatie. Wat heb je aan stemrecht, als je over zoiets fundamenteels als je rol in de samenleving geen zeggenschap hebt? In de twintigste eeuw gaan overheden actief proberen hun burgers meer kansen te geven om zelf hun eigen leven vorm te geven. De beste manier om dat beleid te realiseren leek te zijn om de rol van sociale factoren in het onderwijs terug te dringen. Sociale status van ouders, hun geloof, opleiding, baan of inkomen zouden niet langer invloed mogen hebben op de onderwijskansen van kinderen.

Ieder kind zou de kans moeten krijgen zijn of haar leertalenten ten volle te benutten. We spreken van een politiek van gelijke kansen of van verheffingspolitiek. En inderdaad heeft deze politiek ertoe geleid dat het aantal kinderen dat hun onderwijscarrière afsluit met een diploma uit het hoger onderwijs enorm is toegenomen. De sociale mobiliteit stijgt navenant. Heel veel jongeren ontstijgen in de tweede helft van de twintigste eeuw het milieu van hun ouders. Ik vermoed dat de culturele revoluties die in diezelfde periode inzetten en de emancipatie van vrouwen, homoseksuelen en andere minderheden tot gevolg hebben ook op de conto van deze politiek geschreven kunnen worden.

De politiek van gelijke kansen wordt vaak gezien als een groot succes. De positieve gevolgen ervan zijn dan ook onmiskenbaar. Maar, helaas, er zijn niet alleen positieve gevolgen. Over de negatieve gevolgen wordt echter nooit gerapporteerd. Gelijke kansenpolitiek is meer dan alleen een beleidsinstrument. Het is ook een heilig ideaal. En zulke idealen beroof je niet van hun glans. Toch is dat wat ik in mijn boek Oude en nieuwe ongelijkheid gedaan heb. Ik heb laten zien dat verheffing schaduwzijden heeft en dat de schaduwen donkerder worden naarmate we er minder naar kijken. In dit essay wil ik een negatief gevolg van verheffing uitwerken en laten zien hoe dit leidt tot de schimmen van het populisme.

Een nare bijwerking van gelijke kansenpolitiek is dat zij leidt tot wat je het beste kunt beschrijven als een braindrain. We zijn niet gewend dit woord in deze context te gebruiken. Met het woord braindrain benoemen we normaal gesproken het verschijnsel dat mensen met talent uit arme landen en werelddelen vertrekken om in meer welvarende landen hun geluk te beproeven. De Verenigde Staten zijn er groot door geworden. Steeds nieuwe migratiegolven brachten voortdurend nieuw talent het land binnen. Eerst vooral uit Europa, later ook uit Azië en Latijns Amerika. De migranten vormden geen doorsnee van de bevolking van het land van herkomst. Het waren sowieso mensen die een avontuur aandurfden. Vaak beschikten ze ook over enig kapitaal, waaronder ook intellectueel kapitaal. Tegenwoordig komt veel talent de Verenigde Staten binnen via de universiteiten, als student. De besten blijven na de studie hangen. Het is deze constante aanwas van burgers die meer dan gemiddeld iets kunnen, die van Amerika het land hebben gemaakt waar vele innovaties zijn begonnen. Een voorbeeld van de andere kant van het proces levert Ierland. Eeuwenlang was het gebruikelijk dat iedere Ier met talent en ambitie de zee overstak om in Engeland (en later ook in Amerika) een bestaan op te bouwen. Ierland zelf bleef daardoor een land waar weinig gebeurde. Dat bleek bijvoorbeeld uit de enorme invloed die de katholieke kerk er lange tijd uitoefende. De geestelijkheid was vrijwel de enige aanwezige elite en zij leidde het land naar culturele stilstand. Dat alles veranderde toen Ierland in 1973 lid werd van de Europese Unie, nadat het een jaar eerder bij referendum de bijzondere status van de kerk had afgeschaft. In deze nieuwe constellatie was het voor jongeren niet meer noodzakelijk om het land te verlaten om zich te kunnen ontplooien. Het land maakt sindsdien een geweldige opbloei door, economisch zowel als cultureel. Braindrain is geen onschuldig proces: het bepaalt het lot van naties. Wie zijn land wil opstuwen in de vaart der volkeren doet er daarom goed aan immigratie van talent te bevorderen. Het eigen talent van een land is altijd maar beperkt tot een bepaald percentage van de bevolking. Je kunt dat aandeel vergroten door talent van elders binnen te laten. Omgekeerd hebben veel autocratisch geregeerde landen vaak weinig moeite met het vertrek van talent: het helpt de heersers het volk dom te houden.

Mijn punt is nu dat deze braindrain zich niet alleen tussen landen voordoet. Ze kan ook binnen een land plaatsvinden, tussen regio’s bijvoorbeeld, of tussen stad en platteland, of tussen verschillende lagen van bevolking. In westerse landen hebben deze drie vormen zich allemaal, veelal in combinatie, voorgedaan als gevolg van de gelijke kansenpolitiek in het onderwijs. Toen jongeren uit eenvoudige milieus de kans kregen om te gaan studeren vertrokken zij van het platteland – waar aan het begin van dit proces nog veruit de meeste mensen woonden, niet alleen omdat landbouw nog veel werk gaf aan mensen, maar ook omdat veel industrieën daar gevestigd waren – naar de steden waar de grote onderwijsinstellingen waren. Na de studie bleven ze vaak in die steden wonen. Daar hadden ze meeste kans op werk op het niveau van hun opleiding. Vaak hadden ze tijdens de studie de partner ontmoet waarmee ze een gezin stichtten. Hun ouders en intellectueel minder getalenteerde broers en zusters waren achtergebleven in de dorpen en arbeiderswijken van de industriesteden. Soms was er als onbedoeld gevolg van de studie een culturele kloof ontstaan tussen de studerende kinderen en de rest van het gezin. Ze deelden niet meer dezelfde interesses. Ze lazen verschillende kranten, keken naar andere televisieprogramma’s, stemden op andere politieke partijen. Die kloof voegde zich bij de geografische afstand. Gevolg was dat men elkaar niet meer zo vaak zag. De gestudeerde kinderen creëerden hun eigen gemeenschappen in de steden (en binnen die steden op den duur weer in eigen wijken).

De achtergeblevenen in de dorpen probeerden hun oude leven voort te zetten. Dat laatste bleek overigens nog niet zo eenvoudig. Want ze werden wel gemist, die slimme, snel denkende kinderen, die bij het routinewerk niet altijd even handig waren, maar wel van pas kwamen zodra om wat voor reden dan ook – natuurrampen, ziekte, sociale onlusten en dergelijke – de routines haperden en nieuwe oplossingen gewenst waren.

Het ‘volk’ – om het bovenstaande nog eens in andere termen te beschrijven – was vroeger een zeer heterogene groep. Het omvatte sowieso het grootste deel van de bevolking. De elite was altijd klein, niet groter dan enkele procenten van de bevolking. De omvang van middengroepen –ambachtslieden, handelaren, ambtenaren – wisselde per land, maar ook in landen met een grote derde stand kwam zij niet boven de twintig procent uit. In het verleden hoorde dus tachtig tot negentig procent van de bevolking tot het volk. De taak van deze groep was werken met de handen. Het volk werkte op het land en in het huishouden en na de industriële revolutie in steeds grotere getale ook in fabrieken en mijnen, waar ondanks de inzet van machines handarbeid nog steeds de hoofdmoot van het werk vormde. Maar het was niet zo dat alle leden van het volk naar hun aard ook handig en sterk waren. Er zat ook intellectueel talent tussen. We mogen aannemen dat minstens 30% een opleiding op hoger niveau had aangekund. Een schoolcarrière was voor meesten echter geen optie. Mensen met een hoog IQ werkten dus op het land en in de fabrieken of hakten kolen in mijnen. Nog tot ver in de twintigste eeuw was het gebruikelijk dat vrouwen, ongeacht talenten en opleiding, hun leven wijden aan huishouden en gezin.

We moeten ons voorstellen dat in de leefgemeenschappen van het volk die intelligente types wel degelijk invloed hadden. Hun onhandigheid kon storend zijn. Hun dromerigheid ergernis wekken. Maar vaak genoeg kwam het goed uit dat de gemeenschap mannen en vrouwen telde die bij problemen niet bij de pakken neer gingen zitten of grepen naar snelle oplossingen die uiteindelijk nooit voldeden, maar geduldig op zoek gingen naar echte oplossingen. Op zulke momenten konden zij de voorhoede vormen die de gemeenschap door moeilijkheden heen loodste. Het vertrek van die voorhoede uit de volksgemeenschap, doordat zij in tweede helft van de twintigste eeuw ging studeren en vervolgens opging in nieuwe stedelijke gemeenschappen, was daarom een gevoelig verlies. Dat uit zich nu in allerlei ongenoegen waarbij het volk de elite verwijt niet naar hen om te kijken.

Mijn verklaring van het ongenoegen ziet dus waarheid in dit verwijt. Het is niet de eeuwige klacht van het volk tegen de elite, die hier klinkt. Het is een stem met een eigentijds geluid, die aandacht verdient. Mijn verklaring geeft tevens een plek aan de nostalgie die dikwijls meeklinkt aan het verwijt, de toon dat alles vroeger beter was. Natuurlijk wat dat niet over de hele linie het geval. Economisch en fysiek hadden de arbeiders en kleine middenstanders het vroeger echt niet beter. Maar sociaal en cultureel zou er voor hen wel eens iets ten nadele kunnen zijn veranderd. Hun gemeenschappen waren meer divers, met meer verschillende talenten. Daardoor kon men er meer kracht aan ontlenen. Mensen hadden zwaar en eentonig werk, maar ze maakten wel deel uit van een groep met een duidelijke identiteit. Herkenbare leiders gaven die groep inhoud en richting. Hun leven en werken was ergens voor. In de linkse beweging waren arbeiders en mijnwerkers gedurende de twintigste eeuw de ware dragers van de vooruitgang. De groeiende welvaart was in laatste instantie aan hen te danken. Dat maakte het mogelijk over de nare kanten van het arbeidersbestaan heen te kijken. Nu hun identiteit onduidelijk geworden is, blijft alleen nog het besef over marginaal te zijn. Daarmee is het moeilijk leven.

Populistische politieke entrepreneurs springen in het gat dat het vertrek van de oude voorhoede heeft achtergelaten. Zij doen zich voor als mannen (en soms vrouwen) van het volk en beloven het een nieuwe identiteit te geven. Die nieuwe identiteit is echter een afgeleide. Hij komt niet voort uit de eigen rol van het volk in de samenleving – zoals die van dragers van de vooruitgang – maar uit de tegenstelling tussen eigen volk en ‘de anderen’: arbeiders uit andere landen, migranten en hun nakomelingen, ook al maken die soms al enkele generaties deel uit van de samenleving, vluchtelingen, illegaal en legaal en ja, ook de elite die zich het lot van deze ‘anderen’ meer lijkt aan te trekken dan dat van het eigen volk. Het is maar een zwakke identiteit die deze populistische leiders in de aanbieding hebben, ook al proberen ze hem aan te vullen met enkele folkloristische noties: zwarte piet, de paashaas en de kerstboom of, heel in het algemeen, ‘de christelijke cultuur’, ook deze niet gevuld vanuit een positieve notie van christendom, maar slechts vanuit de oppositie eigen religie versus die van de anderen. Deze zwakke identiteit maakt – gelukkig – dat het populisme maar bij een deel van het volk aanspreekt, en dan nog primair als proteststem. Toch moeten we het gevaar van deze beweging niet onderschatten. Het feit dat het populisme altijd een tegenstander nodig om zichzelf te bepalen, maakt dat het werkt als een lont in het kruitvat. Plotseling kan de tegenstander een echte vijand worden. Ook een minderheid kan dan een ramp veroorzaken.

De politiek van gelijke kansen heeft als onbedoeld effect dat in de huidige samenleving intelligentie een van de belangrijkste ordeningsprincipes is geworden. Aan de onderkant van de samenleving heerst daarom nu niet alleen armoede maar ook geestelijke armoede. Dat is nieuw. Die armoede bestrijden we niet alleen met financiële hulp. Ook onderwijs, hoe belangrijk ook, zal de kloof niet dichten. Er blijft altijd een behoorlijke groep van mensen die van onderwijs weinig profijt trekken. Deze mensen hebben het nodig dat zij ingebed zijn in grotere verbanden, waarbinnen andere mensen met meer intelligentie hen, waar nodig, bijsturen.

De moderne politiek is erop gericht alle mensen gelijk te behandelen. Voor het sociaal-liberalisme houdt dit in: het individu centraal stellen. Dan sluit je immers de invloed van factoren als afkomst, ras, geslacht, seksuele oriëntatie enzovoorts uit. Iedereen heeft dan dezelfde kansen. Helaas laten allerlei factoren die het pakken van kansen beïnvloeden, zich niet sturen. Intelligentie is er één van. (Andere zijn: fysieke aantrekkelijkheid, atletische vaardigheden). Wanneer je ongelijke mensen gelijk behandelt is de uitkomst onvermijdelijk ongelijk. Een politiek die dat onrechtvaardig vindt, moet op zoek naar rechtvaardige manieren om mensen ongelijk te kunnen behandelen.

Eén ding wil ik daarover zeggen. Dit type rechtvaardigheid wordt niet bereikt door wetgeving uit Den Haag. Het kan alleen benaderd worden op het laagste niveau. Voor de politiek zijn dat: buurten en dorpen, liefst zo klein mogelijk. Daar kan men besluiten uitzonderingen te maken voor mensen die dat nodig hebben – omdat men elkaar kent. Juist dat niveau is in Nederland echter weggevaagd. Welke Nederlander kent nog de mensen die in zijn gemeenteraad zitten? In een dorp kwam je ze vroeger op straat tegen en kon je een gesprek met ze beginnen. (Was dit directe contact niet ook een belangrijk motief om de gemeentepolitiek in te gaan: iets doen voor mensen met wie je samenleeft. Is het verdwijnen daarvan de reden dat het zo lastig is geworden kandidaten voor gemeenteraden te vinden?) Ondanks een retoriek van decentralisatie is de afstand tussen burgers en bestuurders de laatste decennia steeds groter geworden. Er zijn hogere niveaus bijgekomen (Europa), terwijl het laagst niveau (de gemeente) zich steeds verder verwijderd heeft. Dat veel mensen zich aangetrokken voelen tot personen die zich als leiders voordoen heeft volgens mij ook ermee te maken dat veel politieke systemen volledig anoniem zijn geworden.

Het wordt tijd dat de politiek weer het gezicht krijgt van mensen uit je directe omgeving, die je aanspreken kunt en die jou, ja, misschien ook in de gaten houden en inspringen als je dreigt te ontsporen. Ik weet, daar zitten risico’s aan. Het was vroeger niet altijd beter. Om die risico’s in te perken wil ik ten slotte de suggestie tot vernieuwing van de democratie in herinnering brengen die de Vlaamse schrijver David van Reybrouck enkele jaren geleden naar voren bracht: denk aan loting als systeem voor de selectie van bestuurders. Juist op het laagste bestuursniveau, dat ik hier voor ogen heb, zou dat wel eens het ei van Columbus kunnen zijn. Het maakt dat iedereen op zijn beurt meedoet en het dwingt mensen zich bezig te houden met mensen die anders zijn dan zijzelf.

Kees Vuyk is filosoof en psycholoog. Voor zijn boek Oude en nieuwe ongelijkheid, Over het failliet van het verheffingsideaal kreeg hij in 2018 de Socrates wisselbeker voor het meest prikkelende filosofische boek.


Meer lezen? Neem een abonnement op idee! Dat kan hier.