Doneer aan de Mr. Hans van Mierlo Stichting

vrijdag 5 juli 2019

Partij van de kosmopolieten of terug naar het midden?

De laatste decennia ontwikkelt zich toenemende maatschappelijke polarisatie tussen ‘kosmopolieten’ en ‘communitaristen’. D66, van oudsher een middenpartij die maatschappelijke tegenstellingen hielp te overbruggen, wordt steeds meer tot de representant van het kosmopolitanisme. Daarmee versterkt de partij de maatschappelijke tegenstellingen.

Door Ruud Koopmans

(Dit artikel verscheen in de Idee over tweedeling)

Fundamentele politieke scheidslijnen (“cleavages”) en de erop gebaseerde Europese partijsystemen vinden, zoals grondleggers van de moderne politicologie als Stein Rokkan en Seymour Martin Lipset hebben laten zien, hun oorsprong in ingrijpende sociale en economische veranderingen. Zo brachten de industriële revolutie en de opkomst van een kapitalistische markteconomie de tegenstelling tussen arbeid en kapitaal voort, die de electorale basis vormde voor sociaal-democratische, communistische en economisch-liberale partijen. De secularisatie en de Verlichting leidden tot een tegenstelling tussen kerk en seculiere staat, die zijn uitdrukking vond in de christen-democratie aan de ene en vrijzinnig-liberale partijen aan de andere kant. In sommige landen, maar minder in het relatief kleine en etnisch homogene Nederland, speelde ook de centralisatie van macht in nationale staten een rol, en leidde tot de opkomst van regionalistische of plattelandspartijen (zoals de Scandinavische “centrumpartijen”). In de loop van de twintigste eeuw kristalliseerde het samenspel van deze scheidslijnen – waarvan het klassenconflict veruit de dominante factor was – uit tot de klassieke links-rechtse tegenstelling, waarin bestrijding van economische ongelijkheid, antiklerikalisme en centralisme de linkerpool definieerden, en de verdediging van de vrije markteconomie, religieuze waarden en de belangen van de regionale periferie als rechts golden. Binnen dat politieke krachtenveld was D66 een laatkomer, die zich kenmerkte door een vrijzinnig-liberale positie, gecombineerd met een middenpositie op sociaal-economische thema’s en een “unique selling point” in de vorm van vergroting van de politieke invloed van burgers door staatsrechtelijke hervormingen zoals gekozen gezagsdragers en referenda. Binnen dit politieke landschap, dat Nederland tot de jaren tachtig kenmerkte, was D66 een typische middenpartij, een “redelijk alternatief” dat bruggen kon slaan naar zowel links als rechts.

De laatste decennia maken we de opkomst mee van een nieuwe politieke scheidslijn, die net als de klassieke scheidslijnen voortkomt uit een diepgaande maatschappelijke verandering: de globalisering. Globalisering maakt de grenzen van nationale staten in toenemende mate poreus, voor kapitaalstromen, migratie, politieke besluitvorming, internationale rechtsnormen, vervuiling en klimaatverandering, terorrisme en criminaliteit en een veelheid aan andere zaken. Net als de fundamentele maatschappelijke veranderingen van de negentiende en vroege twintigste eeuw veranderen globaliseringsprocessen de absolute en relatieve levens- en machtskansen van verschillende groepen in de samenleving. Globalisering biedt vele nieuwe mogelijkheden en voordelen, maar niet iedereen is gelijkelijk in staat om van deze mogelijkheden gebruik te maken en de vruchten ervan te plukken. Globalisering brengt ook risico’s en nadelen met zich mee, maar waar sommigen die risico’s en nadelen makkelijk uit de weg kunnen gaan, treffen zij anderen onevenredig. Deze nieuwe politieke scheidslijn leidt tot een toenemende maatschappelijke polarisatie tussen wat je in politiek-filosofische termen aan de ene kant als “kosmopolieten” kunt aanduiden (politieke tegenstanders spreken liever over “de elite”, “eurofielen” of “oikofoben”), en aan de andere kant “communitaristen” (voor hun tegenstanders “populisten”, “nationalisten” of “xenofoben”). Die polarisatie vindt plaats langs de drie belangrijkste dimensies van globalisering: economisch, cultureel en politiek.

Economisch gezien biedt globalisering een wereld van mogelijkheden voor degenen met mobiel economisch en kenniskapitaal. De voordelen van een grenzeloze wereld voor multinationale bedrijven en internationale investeerders liggen voor de hand, maar ook degenen met hogere opleidingskwalificaties die internationaal convertibel en gevraagd zijn, behoren tot de winnaars. Met name de jongere cohorten onder de hoogopgeleide middenklasse kunnen profiteren van nieuwe mogelijkheden om in het buitenland te studeren of te werken. Ongeacht de vraag wat het nu precies aan kennis en vaardigheden oplevert, is het hebben van buitenlandse werk- of studieervaring een belangrijk signaal in CV’s geworden en ouders uit de middenklasse investeren bewust in de transnationale en interculturele competenties van hun kroost. Ook de kennis van buitenlandse talen die met een hogere opleiding samengaat, vergroot de kansen op een globaliserende arbeidsmarkt, zelfs als men in Nederland blijft. De economische kansen van globalisering concentreren zich ook geografisch, en wel in grote steden waar internationale bedrijven, ngo’s en politieke instituties gevestigd zijn. De economische risico’s en nadelen van globalisering komen daarentegen vooral terecht bij de lager opgeleiden wier vaardigheden minder gevraagd en meer plaatsgebonden zijn: oudere generaties met minder buitenlandse taalkennis, lagere inkomensgroepen die zich bijvoorbeeld voor hun kinderen geen jaar in het buitenland of een internationale school kunnen veroorloven en de bewoners van het platteland en de kleinere steden, die niet in internationale netwerken geintegreerd zijn. De Britse publicist David Goodhart spreekt in dit verband over de tegenstelling tussen de ‘anywheres’, die over convertibel kenniskapitaal en transnationale contacten beschikken, en de ‘somewheres’ wier vaardigheden en kennis lokaal gebonden zijn en die op de bescherming van de verzorgingsstaat zijn aangewezen, die nog altijd op nationale solidariteit en herverdeling berust.

Ook cultureel gezien is globalisering een ongelijk proces. Het bevoordeelt hen die kunnen en willen participeren in wat sociologen als John Meyer en John Boli de nieuwe “wereldcultuur” noemen. Voorkeuren voor exotische gerechten en “world music” en voor “diversiteit” in het algemeen zijn niet sociaal neutraal, maar zijn tot signalen voor standsverschillen geworden in de zin van Pierre Bourdieu’s theorie van sociale distinctie. Wanneer voorkeuren voor het exotische en het diverse komen te gelden als de verfijnde, verlichte en toekomstgerichte keuze, en voorkeuren voor het lokale en traditionele als parochiaal en achterhaald, wordt culturele smaak een machtsinstrument. De Nederlandse Zwarte Piet discussie is hiervan een goed voorbeeld. Wat nog tot voor kort een breed gedeelde en oncontroversiele culturele traditie was, is in een paar jaar tot dé indicator geworden of je aan de goede en verlichte kant staat dan wel tot de “deplorables” behoort, die (nog) niet willen inzien dat Zwarte Piet voor racisme en slavernij staat en echt niet meer kan in deze tijd. Het beheersen van de laatste normen met betrekking tot wenselijke taalgebruik met betrekking tot “gender” en “race” is zo tot een geurvlag voor het lidmaatschap van de kosmopolitische klasse geworden, op een vergelijkbare manier als eerder voorkeuren voor klassieke muziek en abstracte kunst als indicatoren voor het lidmaatschap van de midden- en hogere klassen golden. De culturele scheidslijn tussen kosmopolitische en lokale cultuur is nergens zo met diepe emoties en morele oordelen verbonden als bij houdingen ten opzichte van immigratie en immigrantenculturen. Lid van de kosmopolitische culturele klasse te zijn, betekent ‘tolerant’ en ‘respectvol’ te zijn ten opzichte van de culturen en religies van immigranten, hoewel dat vaak meer met de mond beleden wordt dan in de praktijk gebracht wordt (zie bijvoorbeeld de witte vlucht juist van hoogopgeleide middenklasseouders uit het openbaar onderwijs in gebieden waar veel migranten wonen). Wie kritiek op die culturen en religies heeft of meent dat immigratie beperkt moet worden, geldt al snel als dom (want immigratie en diversiteit zijn noodzakelijk en onvermijdelijk), racistisch en islamofoob. Aan de andere kant van het spectrum zijn de morele oordelen overigens even sterk emotioneel geladen. Rechtspopulistische partijen en een deel van hun aanhang zien de kosmopolitische klasse op zijn best als “naïevelingen” en op zijn slechtst als “zakkenvullers” en “landverraders”.

Bij de politieke dimensie van globalisering, tenslotte, gaat het om de overheveling van bevoegdheden van het nationale niveau naar supranationale instituties en internationale verdragen. Daarmee leidt politieke globalisering tot een machtsverschuiving weg van nationale majoritaire politieke instituties waar “de meeste stemmen gelden” naar niet-majoritaire instituties op zowel het nationale niveau (bijvoorbeeld toetsing aan internationale verdragen door rechtbanken) als op het supranationale niveau, met name in de context van de Europese Unie, waarin de belangrijkste beslissingen genomen worden in onderhandelingen tussen ministers en regeringsleiders achter gesloten deuren. Het gevolg is een erosie van de relatieve macht van gekozen volksvertegenwoordigers en daarmee van directe politieke kiezersinvloed. Het terugveroveren van de soevereiniteit van nationale, democratisch verkozen majoritaire instituties is daarom een centraal thema in de politieke boodschap van communitaristische actoren geworden. Kosmopolieten plaatsen daartegenover het functionalistische argument dat de problemen waarmee we in de wereld van vandaag geconfronteerd worden niet meer nationaal opgelost kunnen worden en dat er daarom geen alternatief is voor een overheveling van competenties naar supranationale instituties.

Waar D66 binnen het oude politieke landschap een middenpartij was die maatschappelijke tegenstellingen hielp overbruggen en compromissen mogelijk maakte, is de partij wat de nieuwe politieke tegenstelling betreft beslist geen middenpartij meer, maar is – samen en in directe concurrentie met GroenLinks – juist de meest uitgesproken representant van het kosmopolitanisme in de Nederlandse politiek. Met name ten tijde van het leiderschap van Alexander Pechtold, die zich in het publieke en parlementaire debat als de anti-Wilders profileerde, is D66 in de ogen van velen die kritisch staan ten opzichte van de geschetste economische, culturele en politieke gevolgen van globalisering, de kosmopolitische partij bij uitstek geworden. Dit bijvoorbeeld vanwege het uitgesproken pro-Europese standpunt van de partij of het opkomen voor religieuze vrijheid, zelfs van extreme uitingen van de politieke islam (in de Tweede Kamer stemden alleen D66, GroenLinks en Denk tegen het gedeeltelijke boerkaverbod). Tegelijk heeft D66 zich afgekeerd van haar voormalige speerpunt, de versterking van directe burgerinvloed in het politieke proces en wordt nu – terecht of onterecht – waargenomen als een partij die zich juist voor technocratische, niet-majoritaire vormen van besluitvorming sterk maakt. Sociologisch is het profiel van D66 ook overduidelijk dat van een bij uitstek kosmopolitische partij. Het electoraat van D66 kent veruit het hoogste percentage hoogopgeleiden, een hoog percentage jongere kiezers en een sterke concentratie in de grote steden in de Randstad en in de studentensteden. In al deze opzichten overlapt het electoraat van D66 zeer sterk met dat van GroenLinks en is het in alles tegengesteld aan het electoraat van PVV en FvD.

Voortgaan op dit pad kan een strategische keuze zijn die electoraal kans van slagen heeft, al ziet deze strategie zich met het probleem geconfronteerd dat zij in grote mate in dezelfde vijver vist als GroenLinks. Op sociaal-economische thema’s verschillen die partijen weliswaar nog van elkaar, maar door het verminderde electorale belang van de klassieke sociaal-economische, links-rechtse tegenstelling volstaat dat niet meer om de twee partijen duidelijk van elkaar af te grenzen. Bij de twee meest prangende kwesties van de nieuwe cleavage – migratie/integratie en Europa/internationale samenwerking – lijkt er nauwelijks licht te zitten tussen de posities van GroenLinks en D66. Het logische gevolg daarvan is dat de twee partijen van de ene naar de andere verkiezing stuivertje wisselen als grootste partij binnen het gemeenschappelijke kosmopolitische electoraat.

De andere optie voor D66 is het weer opzoeken van het politieke midden, zodat de partij weer een “redelijk alternatief” wordt dat ook op de nieuwe scheidslijn helpt bruggen te slaan en compromissen te vinden. Dat zou onder andere een minder onvoorwaardelijk eurofiele positie betekenen. Weliswaar benadrukt D66 sinds jaar en dag de noodzaak van democratische hervormingen binnen de EU, maar zolang die een vage belofte achter de horizon blijven, is het belangrijk om een kritischere houding aan te nemen ten opzichte van de huídige Europese Unie en om de rol van nationale representatieve instituties sterker te benadrukken. Dat zou overigens, over langere tijd gekeken, geen breuk met het D66-verleden zijn, maar juist een terugkeer naar hetgeen waarvoor de partij ooit werd opgericht: de politiek dichter bij de burgers te brengen en burgers een duidelijkere stem te geven. Op het gebied van migratie en integratie betekent deze strategische keuze een herbezinning op het vrijzinnige, deels antiklerikale erfgoed van D66. Van een partij die vaak met conservatief christelijke partijen in de clinch lag, is D66 tot een partij geworden die gezien wordt als beschermer van nog veel orthodoxere, deels onmiskenbaar extremistische stromingen binnen de islam. Die beeldvorming is niet altijd terecht, maar het reeds genoemde boerkastandpunt, de profilering als anti-Wilders partij, en recentelijk nog D66-vertegenwoordigers die zedig met hoofddoek in Iran op bezoek gaan of zich bij de veroordeling van de sharia onthouden, dragen daar wel sterk aan bij. Ook op het punt van de bestrijding van antisemitisme, haat tegen homoseksuelen en geweld tegen en onderdrukking van vrouwen zou het beslist geen breuk maar veeleer een herbezinnig op de vrijzinnige grondbeginselen zijn als D66 sterker van zich zou doen horen. Oók als dergelijke problemen in toenemende mate spelen binnen religieuze en etnische minderheidsgroepen. Een partij als D66 zou voor de vrijheid van individuen op moeten komen en kritisch moeten staan tegenover knellende groepsnormen, om het even om welke groep het gaat.

Ik durf er geen weddenschap op af te sluiten welke van deze twee strategische opties electoraal de meeste vruchten af zal werpen: de concurrentie met GroenLinks aangaan om het kosmopolitische electoraat, of het hervinden van een eigen middenpositie. Maar als het om het overbruggen van maatschappelijke tegenstellingen en het doorbreken van de polarisatie over thema’s als Europa, migratie en islam gaat, is het antwoord overduidelijk: een D66 dat zich definieert als kampioen van het kosmopolitisme is een deel van het probleem; een D66 dat naar een balans tussen universalistische normen en respect voor de identiteit, de solidariteit en de democratische verworvenheden van nationale gemeenschappen zoekt en dat de politiek weer dichter bij de burgers brengt en minder tegen onverkozen technocaten aanschuurt, kan een deel van de oplossing zijn.

Ruud Koopmans is hoogleraar aan WZB Berlin Social Science Center & Humboldt Universiteit Berlijn. De tekst is deels gebaseerd op de inleiding van The Struggle over Borders. Cosmopolitanism and Communitarianism’ door Pieter de Wilde, Ruud Koopmans, Wolfgang Merkel, Oliver Strijbis en Michael Zürn, dat begin juli 2019 bij Cambridge University Press is verschenen.


Meer lezen? Neem een abonnement op idee! Dat kan hier.