Doneer aan de Mr. Hans van Mierlo Stichting

vrijdag 25 oktober 2019

‘In iedereen zit nog altijd een vleugje liefde’

Strafrechtspleging is volgens voormalig voorzitter van de Hoge Raad Geert Corstens ‘een redelijk onbeschaafde beweging’. In een politiek-maatschappelijk klimaat waarin hard wordt geroepen om vergelding en begrip is voor eigenrichting, pleit hij voor vergeving in plaats van straf. ‘Misdaad en straf’ moet wat hem betreft plaats maken voor ‘misdaad en leven na de misdaad’. ‘Voor berouw, gevolgd door vergeving en herstel en verzoening moet meer plaats worden ingeruimd.’

Door Geert Corstens

Het onderwerp van deze bijdrage sluit aan op het motto van mijn handboek over het Nederlands strafprocesrecht: ‘There but for the grace of God, goes John Bradford’. Dat betreft het oude verhaal van de Engelse hofprediker uit de zestiende eeuw, John Bradford, die bij het zien van het naar de executieplaats geleiden van ter dood veroordeelden uitriep: ‘There but for the grace of God goes John Bradford’. Die uitlating kan worden verstaan in de trant van: als ik uit anderen of in een ander milieu was geboren of als ik op een cruciaal moment in mijn leven een andere keus had gemaakt, had ik misschien ook wel tot die ter dood veroordeelden behoord. Natuurlijk, voor een absurd doorgevoerd determinisme is geen plaats, maar toch, dit besef noopt tot bescheidenheid en kan ook stimuleren tot vergeving. Daarmee wordt de verantwoordelijkheid van mensen voor hun daden niet weggepoetst, maar wel gerelativeerd. Als strafrechter houd je je met vergelding bezig. Er is een strafbaar feit gepleegd. De officier van justitie vervolgt de verdachte en de rechter berecht de zaak en komt, als het feit is bewezen en daad en dader strafbaar zijn, meestal tot bestraffing. In de straf komt de afkeuring van het gepleegde strafbare feit tot uitdrukking. De rechter doet dat als overheidsinstantie en treedt daarmee op namens de samenleving. Hij neemt daarin een aparte positie in, hij is wetgever noch bestuurder. Hij is onafhankelijk, hoeft niemand te gehoorzamen. Ook als het bestuur in een geschil is betrokken, stelt hij zich zelfstandig op. Hij dient onpartijdig te zijn en te waken tegen vooringenomenheid. Dat zijn in de rechtsstaat essentiële elementen voor een eerlijke berechting. Ook om die reden wordt de toegang tot onafhankelijk en onpartijdige rechters als het vierde element van de rechtsstaat gezien. Daarnaast staan als bestanddelen: de gebondenheid van allen aan het recht, het machtsevenwicht in de staat en de eerbiediging van mensenrechten.

Rechtsorde: deuk en herstel
Die afkeuring door middel van straf is gelegitimeerd door de schuld van de dader: het feit kan op zijn conto worden geschreven. Hij heeft de moord, de diefstal, de fraude gepleegd en er zijn geen verontschuldigende factoren komen vaststaan. Tegenover het kwaad van de dader staat de negatieve overheidssanctie. Tegenover het begane onrecht staat een intentionele leedtoevoeging: vergelding. Vergelding is metafysisch. Je kunt vergelding niet meten. Je probeert wel het aangerichte kwaad in een redelijke verhouding te laten staan tot het opgelegde kwaad. Dat is vergeleken bij lynchpartijen, eigenrichting, een grote vooruitgang. De moeilijke meetbaarheid van de twee kwaden blijft wel staan, maar door een eenvoudige diefstal niet met een levenslange opsluiting te bestraffen betracht je rechtvaardigheid. Voormalig strafrechthoogleraar Maarten Vrij sprak in dit verband van het herstellen van de deuk die in de rechtsorde is geslagen door het strafbaar feit. Dan staan twee abstracte grootheden tegenover elkaar: de in de rechtsorde door bijvoorbeeld een moord geslagen deuk en het herstel daarvan door een bestraffing. Men kan daarop ook kritiek hebben: waarom bovenop het aangedane kwaad een nieuw kwaad stapelen? Zelf heb ik lang geleden eens te berde gebracht dat om die reden strafrechtspleging als een redelijk onbeschaafde beweging moet worden aangemerkt. Dat leidde bij de aanwezigen tot sterke, emotioneel geladen afkeuring. Ik voegde er wel aan toe dat we vooralsnog het met de strafrechtspleging zullen moeten stellen bij gebrek aan alternatief. Filosoof Martha Nussbaum lijkt in Woede en vergeving (2016) deze gedachte ook aan te hangen: waar vergelding en wraak slechts uit zijn op het laten lijden van de dader, moet daarvoor geen ruimte zijn. Zij acht het slechts legitiem ruimte te laten voor transitiewoede in de vorm van: ‘Wat een schande. Daar moet iets aan gedaan worden’. We zitten dan in de sfeer van preventietheorieën: we kijken naar het doel van de straf. Aanhangers van vergelding als doel van de straf zullen zin en doel met elkaar laten samenvallen: de straf geeft uitdrukking aan de afkeuring en dat is dan ook het doel ervan. Anderen zien in de straf (ook) een middel om aan de dader en potentiële daders duidelijk te maken dat men soortgelijk handelen in de toekomst achterwege moet laten. Men spreekt van speciale en generale preventie. Voor mij is dit de meest menselijke benadering: de straf is gericht op voorkoming en zal in de uitvoering daarop moeten zijn gericht. Dat is ook een argument tegen levenslange gevangenisstraf.

Vergeving en herstel
Bij vergeving gaat het ook om herstel van de relatie tussen dader en slachtoffer. Dat is iets anders dan het zojuist beschreven metafysische herstel van de deuk in de rechtsorde. Vergeving is een persoonlijke daad van degene die door het strafbaar feit is getroffen. Strafrechtjurist Jacques Claessen schrijft over ‘het door het slachtoffer van moreel onrecht (gedeeltelijk) afzien van vergelding (uiterlijke kant) door negatieve gevoelens jegens de dader (gedeeltelijk) te boven te komen (innerlijke kant)’. Hij of zij ziet af van zijn of haar gevoelens van wraak en wrok en hoopt langs die weg tot een zeker herstel van de relatie met de dader. De vraag gaat over het herstel van die relatie in plaats van bestraffing. Herstel valt niet noodzakelijkerwijs samen met vergeving. Er kan vergeving zijn zonder herstel en herstel zonder vergeving. Ik beperk mij nu tot herstel dat samenvalt met vergeving.

Meest spectaculaire voorbeeld van vergeving vind je in de verhalen over Zuid-Afrikanen die slachtoffer waren van apartheid. Het einde daarvan had alles in zich om te resulteren in een ‘bijltjesdag’: afrekenen met je tegenstanders, hen aan den lijve laten voelen wat ze jou hebben aangedaan, geweld uitoefenen. Toch slaagde Nelson Mandela erin, onder andere via de zogenaamde Waarheids- en verzoeningscommissies onder leiding van bisschop Desmond Tutu, dit te voorkomen. Zijn inspanningen leidden tot een zeker herstel van de volledig verstoorde verhoudingen. Natuurlijk zijn er kanttekeningen te plaatsen, maar het resultaat was overwegend positief. Een andere vraag is of op termijn de verhoudingen goed zullen blijven. Maar ook al zou het antwoord op die vraag negatief zijn, dan nog is veel bereikt in de jaren na de afschaffing van de apartheid.

Maar niet iedereen kan dit opbrengen. Antjie Krog schrijft in De kleur van je hart over een Zuid-Afrikaanse moeder die zei, nadat ze was geconfronteerd met het doden en de braaiing van haar zoon: ‘Voor Mandela en Tutu is het makkelijk te vergeven… zij leiden een gelouterd bestaan. In mijn leven is er niets, helemaal niets veranderd sinds mijn zoon door de barbaren is verbrand… Niets. Daarom kan ik niet vergeven.’

Een ander voorbeeld van vergeving en daarmee van een aanzet tot herstel is nog altijd de houding van de man die na de aanslag op Wehrmacht-officieren in 1944 in Putten gevangen werd genomen en daarna afschuwelijk behandeld. Bij die razzia van oktober 1944 kwamen uiteindelijk 552 mensen om het leven. Jannes Priem schrijft: ‘Ik ben niet vergeten wat mij allemaal tijdens de oorlog is aangedaan. Maar ik heb het de daders wel vergeven’.

Zo, zeker in het voorbeeld van Zuid-Afrika, werd de weg geopend naar de opbouw van een nieuwe samenleving. Dat betekende herstel niet alleen van persoonlijke verhoudingen, maar ook herstel van een immense scheur in de samenleving.

Vergeven en vergeten
Vergeven betekent niet vergeten. In het Edict van Nantes van 1598, bedoeld om een einde te maken aan de bloedige strijd tussen katholieken en protestanten in Frankrijk, stond dat de herinnering aan alle dingen die aan weerszijden zijn voorgevallen uitgedoofd en ingeslapen zal blijven als iets wat niet is gebeurd. Hier wordt iets voorgeschreven dat moeilijk is op te brengen. Men kan niet voorschrijven de herinnering uit te bannen, net te doen alsof er niets is gebeurd. Dat lijkt te gelden voor zowel collectieve gebeurtenissen als voor private kwesties. Zand erover is soms een goede daad. Maar dat moet je wel kunnen. Dit opbrengen als het gaat om zeer ingrijpende gebeurtenissen kan nauwelijks worden verlangd. De ouder die een kind heeft verloren: ‘zand erover’ kan niet het antwoord daarop zijn. Dat zand zal snel wegwaaien op de wind van de nu eenmaal blijvende emotie. Datzelfde zal ook gebeuren als het gaat om collectieve gebeurtenissen als de holocaust en andere vormen van genocide. Dat geldt ook voor slavernij zoals die tot ver in de 19e eeuw in de Verenigde Staten bestond. Soms zal de tijd wonden een beetje kunnen helen, maar vergeten, nee, dat zal bij gebeurtenissen die jou en je familie in je diepste wezen hebben geraakt, niet gemakkelijk geschieden. Professor Veraart haalde een treffende zin van Cees Nooteboom aan: ‘herinnering is een hond die gaat liggen waar hij wil’. Op de burgerbegraafplaats in Oosterbeek staan op een koperen band langs een aantal graven de woorden van de joodse mysticus Baal Sjem Tov vermeld: ‘vergeten is ballingschap, herinneren is bevrijding’. Hij gaat dus nog iets verder: vergeten leidt tot ballingschap, tot niet bevrijd worden.

Gebeurtenissen uit het verleden moet je niet wegstoppen. Je moet ze een plaats geven. De Duitsers hebben hiervoor een mooie term: Vergangenheitsbewältigung. Géraldine Schwarz schrijft hierover in De geheugenlozen (2019). Ze vergelijkt de wijze waarop dat in verschillende Europese landen na de Tweede Wereldoorlog is gebeurd. Nederland komt er daarin niet al te best uit. Pas onlangs hebben de gemeenten Den Haag en Amsterdam compensatie geboden aan nazaten van joden die uit de concentratiekampen terugkeerden en werden geconfronteerd met vorderingen voor achterstallige canons van erfpacht en met straatbelastingaanslagen met betrekking tot hun door de nazi’s geroofde woningen. De Nederlandse spoorwegen zetten nu, na ongeveer 75 jaar, ook stappen.

Vergeven en niet vergeven
Tegenover vergeven staat niet vergeven. Níét vergeven kan verlammend werken. Verlammend voor degene die iets heeft misdaan, maar net zo verlammend voor degene aan wie iets is aangedaan. De boosdoener blijft achter met het gevoel dat hij de ander heeft aangevallen, heeft beroofd, misschien wel heeft gedood. Het slachtoffer is niet over zijn eigen schaduw heen gesprongen, leeft met de kwetsuur voort, staat in grote spanning tot de dader. Zoals Marc Marie Huybregts een aantal jaren geleden zei: vergeven doe je ook voor jezelf. Of, zoals de Franse schrijver Éric-Emmanuel Schmitt over de moeder van de jonge vrouw die door een seriemoordenaar om het leven is gebracht zegt: ‘Elle aussi prisonnière, elle tournait en rond dans une cellule.’

Je zou kunnen stellen dat door te vergeven je jezelf bevrijdt uit een gevangenis van haat en bitterheid, je verlost jezelf van wraakgevoelens. Vergeven doe je ook voor jezelf, niet alleen voor de dader. Of, zoals voetballer Clarence Seedorf, waarschijnlijk naar aanleiding van spreekkoren tegen zwarte spelers in voetbalstadions zei: ‘Vergeven is niet zwak. Wie vergeeft wil niets op zijn hart hebben en maakt het probleem tot het probleem van de ander. Of zoals te lezen valt in het relaas van hoogleraar Pumla Goboda-Madikizela uit Kaapstad: ‘I cannot and will not return the evil you inflicted on me. […] And that is the victim’s triumph’.

Vergeven betekent een breuk maken tussen verleden en toekomst: we gaan verder, abstraheren van het verleden, laten het verleden niet eindeloos doorwerken, ook al zullen we het niet vergeten en dus blijven herinneren. Je zou, met filosoof Paul Ricoeur, ook kunnen zeggen dat je het verleden anders gaat beleven. Met vergeven doorbreken we de keten van wraakoefeningen, vergeldingen en eindeloze rancunes en maken we niet alleen voor de ander, maar ook voor onszelf ruimte voor de toekomst. Zoals de rechtsfilosoof Kinneging zei: wie kan vergeven, kan ondanks alles het mooie in de ander zien. Wie niet kan vergeven, ziet dat mooie niet meer. De Leuvense oud-hoogleraar Burggraeve zei: ‘Met vergeving zet je een komma, geen punt.’

Vergeving in plaats van straf?
Voor vergeving mag zeker een plaats worden ingeruimd. Vergeving zal in een beperkt aantal gevallen bestraffing kunnen voorkomen. Vergeving kan, maar moet nooit. We moeten nadenken over het zetten van een nieuwe stap in de strafrechtspleging. Voor berouw, gevolgd door vergeving en herstel en verzoening moet meer plaats worden ingeruimd. Bestaande initiatieven verdienen verdere ondersteuning. In art. 51h van het Wetboek van Strafvordering is sinds 1 januari 2012 voorgeschreven dat het openbaar ministerie bemiddeling bevordert tussen het slachtoffer en de verdachte. Als dit tot een overeenkomst tussen de verdachte en het slachtoffer heeft geleid, houdt de rechter, als hij een straf of maatregel oplegt, daarmee rekening. Ook bevordert het openbaar ministerie volgens deze regeling bemiddeling tussen de veroordeelde en het slachtoffer als het slachtoffer dat wil. Vergeving komt naast vergelding en soms in plaats van vergelding een plaats toe. Vergeving doorbreekt de keten van misdaad en vergelding, vergelding is goed, vergeving in plaats daarvan of in aansluiting daarop is mooier. Maar vergeving is zeker niet altijd mogelijk of haalbaar. Vergelding zal ook op langere termijn haar plaats behouden. De behoefte aan bestraffing van ernstige misdaden zit diep in ons. Vooralsnog zie ik het verlaten daarvan niet als een realiteit, hoe onbeschaafd het stapelen van kwaad op kwaad ook mag zijn. De voormalige Rotterdamse hoogleraar strafrecht Louk Hulsman propageerde in de jaren tachtig van de vorige eeuw de afschaffing van het strafrecht. Uiteindelijk kreeg hij weinig voet aan de grond. Het lijkt daarom vruchtbaarder te pogen de herstelgedachte door aansprekende initiatieven zoals confrontaties van daders met slachtoffers te stimuleren en aan de samenleving te laten zien dat dit ook een methode is om met criminaliteit om te gaan. Het zal moeilijk zijn ook bij ernstige delicten een dergelijke handelwijze ingang te doen vinden. Het vereist een mentale omscholing die ons losmaakt van het automatisme van de koppeling van de begrippen misdaad en straf en daarvoor in de plaats ruimte biedt voor het koppel misdaad en leven na de misdaad. In politieke kringen zou meer ruimte daarvoor moeten ontstaan. Voorts zou de term ‘criminelen’ moeten worden uitgebannen. Die term identificeert mensen met de daad of daden die ze hebben gepleegd, alsof hun hele bestaan wordt gekenmerkt door de daad of daden die ze ooit hebben gepleegd. Mijn contra-stelling is: er bestaan geen ‘criminelen’. In iedereen zit altijd nog een vleugje liefde.

Meer verdieping en verbreding van het sociaal-liberale gedachtegoed? Neem dan nu een abonnement op idee!