Doneer aan de Mr. Hans van Mierlo Stichting

maandag 9 december 2019

Iedere stad een Koolmeesloket

In 2020 komt minister Koolmees met een nieuwe inburgeringswet waarin gemeenten de regie krijgen. Terecht, maar gaat het helpen? Wat als een gemeente haar gevestigde inwoners al niet mee krijgt? Vooral middelgrote stadsgemeenten lopen risico. Denk aan de Helmonds en Schiedams van Nederland, waar jongeren wegtrekken en ouderen blijven, waar kantoren leeg staan én waar relatief veel nieuwkomers wonen. Om inburgering hier te doen slagen, zal Koolmees meer moeten doen voor de stad zelf.

Door Marthe Hesselmans en Astrid Elfferich

Data…
Weet wat er speelt in ‘Midsize NL’. Het zijn de middelgrote steden, van 50 tot 100 duizend inwoners, waar veel nieuwkomers zich uiteindelijk zullen vestigen. Bijna 17 procent van de Nederlanders, 2,9 miljoen, woont hier al. Steden als Almelo, Capelle en Gouda staan in de top vijf van gemeenten met grote migratiediversiteit. In Capelle, maar ook in Schiedam en Amstelveen is het percentage inwoners met een zogeheten niet-westerse migratieachtergrond hoger dan de 23 procent in Utrecht. Voor Utrecht en de andere G4-steden is volop aandacht. Een Den Haag kan aanspraak maken op nationale fondsen voor grootstedelijke diversiteit in het onderwijs. Een Rijswijk, dat aan Den Haag zit vastgeplakt en heel wat anderstalige kinderen uit het Haagse Escamp op haar scholen heeft, kan dat niet.

Steden als Rijswijk en Gouda krijgen zelden de aandacht, en de daarbij behorende hulpmiddelen, die de grote steden krijgen. Ondertussen kampen ze wel met grootstedelijke vraagstukken. Middelgrote steden zien evengoed hun inwoneraantal stijgen en het huizenaanbod krimpen. De gemiddelde groei van middelgrote steden zat het afgelopen decennium boven het landelijk gemiddelde. Ook het aantal nieuwkomers stijgt in veel middelgrote steden al jaren gestaag. En net als in de grote steden is er sprake van woningnood, met name in de middelgrote steden van Noord- en Zuid-Holland en Utrecht. In 2017 waren hier op veel plaatsen minder dan 2,4 van de 100 woningen te koop, het landelijke gemiddelde. Daarbij zien middelgrote steden steeds langere wachttijden voor sociale huur. Dat speelt met name in de Randstad, maar ook in een stad als Hengelo stijgt de wachttijd. Gemeten in gemiddelde inschrijfduur, zit Hengelo met 4,5 jaar zelfs boven universiteitsstad Groningen en het stadsgewest Haaglanden.

Dynamiek…
Om te kunnen inburgeren, helpt het als een stad al haar inwoners kansen kan bieden, zoals op werk, onderwijs en ondernemerschap. Dat vraagt een zekere dynamiek en juist daar schort het aan in menig middelgrote stad. Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht mogen ieder grote problemen hebben, ze maken ook aanspraak op grote subsidies, zie het Nationaal Programma Rotterdam Zuid, om nieuwe groei te creëren. Bovendien zijn het magneten. In toenemende mate trekken deze grote steden alles aan wat potentieel heeft: innoverende bedrijven, hoogopgeleide expats, ervaren bestuurders, kansrijke jongeren.

Bij middelgrote steden zien we eerder het omgekeerde. Op veel plekken is sprake van vergrijzing, zeker ten opzichte van grote steden. Negentien procent van de mensen die in middelgrote steden woont, is minimaal 65 jaar oud, wat een stuk hoger is dan de 13 procent van de G4.3 Jongeren gaan elders studeren en blijven vervolgens weg. Ook nadat ze eenmaal zijn afgestudeerd en zelf kinderen hebben gekregen, blijven ze in de (buurt van de) grote stad. Opvallend hierbij is het opleidingsniveau in middelgrote steden. In 2018 hadden slechts twaalf middelgrote steden meer hbo- en wo-opgeleiden dan het landelijk gemiddelde van 31 procent. De grootste steden zitten alle vier boven dat gemiddelde.

Met de wegtrekkende jongeren, loopt het arbeidspotentieel terug in middelgrote steden, wat het ook weer minder aantrekkelijk maakt voor bedrijven om zich hier te vestigen. Ruim de helft van de middelgrote steden had in 2017 meer kantoorleegstand dan het landelijk gemiddelde. In de periode 2008–2018 is slechts in vier van hen het aandeel van leeg kantooroppervlakte gedaald, bij de rest is het cijfer gestegen.

 

In deze steden zien we nu een lastige samenloop ontstaan: er zijn steeds minder werkenden voor een toenemend aantal ouderen dat steeds meer zorg nodig heeft. Ondertussen neemt het aantal voorzieningen eerder af. Winkels
staan steeds vaker leeg. Ruim de helft van de middelgrote steden had in 2018
relatief meer winkelleegstand dan Den Haag, van de G4 de stad met de hoogste leegstandscijfers. Ook bibliotheken, culturele instellingen, zorg- en onderwijsvoorzieningen in middelgrote steden komen onder druk te staan. Zoals de Amersfoortse wethouder Willem-Jan Stegeman onlangs in het AD vertelde: “Kleinere steden met een zwembad hebben dan soms niks meer over.”

Het wordt er allemaal niet dynamischer door, met een vicieuze cirkel als mogelijk gevolg: wie kan, trekt weg en bedrijven en voorzieningen gaan mee.

Identiteit…
Wat motiveert om in te burgeren? Een stad om trots op te zijn. Grote steden hebben als voordeel dat ze vaak al een (internationale) merknaam hebben en een lange geschiedenis van migratie kennen. Steden als Amsterdam en Rotterdam zijn door de eeuwen heen gevormd door nieuwkomers uit binnen- en buitenland. Het zijn steden met ‘super diversiteit’: de minderheid is in de meerderheid. Een grote stadsidentiteit lijkt soms inclusiever dan een nationale identiteit. Turks-Nederlandse jongeren zeggen zich eerder verwant te voelen met de stad Rotterdam dan met het land Nederland.

Zouden nieuwkomers zich ook Apeldoorner noemen of Zoetermeerder? Wellicht. Maar dan moet er wel geïnvesteerd worden in zo’n stad en in haar diverse inwoners. Oud-burgemeester Bart Somers deed dat in Mechelen. Jarenlang stond deze Vlaamse middelgrote stad met ruim 30% migranten bekend om verpaupering en verrechtsing. De liberale Somers zette er in op wijkverbetering, veiligheid, werkschepping en inclusie, compleet met grote foto-installaties van Mechelaars met 128 verschillende achtergronden door de stad. Hij werd tot tweemaal toe herkozen en Mechelen geldt nu als de trots van Vlaanderen en van haar eigen inwoners, oud en nieuw.

Mechelen is vast niet alleen een succesverhaal, alleen al omdat de stad nu zo populair aan het worden is dat veel gevestigde inwoners haar hui- zen niet meer kunnen betalen. Wel laat Mechelen zien dat het mogelijk is om als middelgrote stad een sterke eigen dynamiek te ontwikkelen. Dat zien we ook in Nederland. In bijvoorbeeld Kampen, Woerden of Lansingerland gaat het prima. Deze steden blinken wellicht niet uit in stadsidentiteit, maar compenseren dat met leefaarheid. Hier zijn veel voorzieningen, is er weinig winkel- en kantoorleegstand en ook met de meeste inwoners gaat het goed in termen van werk, inkomen en gezondheid. Dé middelgrote stad bestaat dan ook niet.

Een Koolmeesloket…
Iedere middelgrote stad zal daarom een eigen aanpak moeten ontwikkelen om alle inwoners mee te krijgen. Maar daarbij mag het Rijk best een handje helpen, bijvoorbeeld met één loket voor al uw hulpvragen. Wouter Koolmees is niet alleen minister van inburgering, maar ook van de participatiewet, pensioenen, wajong, ww, schulden en nog veel meer. Het zijn allerlei sociale zaken die een ingewikkelde en steeds meer digitale bureaucratie kennen. Nederlanders, met of zonder migratieachtergrond, in grote, kleine of middelgrote gemeenten, lopen cruciale voorzieningen mis omdat de weg ernaar toe te moeilijk is geworden. Bied hen een loket met echte mensen die kennis van zaken hebben. Bied daarbij liefst ook concrete programma’s om mensen op weg te helpen, of dat nu met een taal- of IT-cursus is, sollicitatietraining of schuldhulpverlening.

Zo’n algemeen hulploket is geen origineel idee. Ombudsman Reinier van Zutphen opperde het laatst nog in Trouw. Sommige gemeenten kennen al ‘sociale loketten’ waar burgers zonder afspraak langs kunnen komen voor vragen over wonen, zorg en welzijn. Ook zien we het in andere landen, zoals de Portugese “one-stop-shops” waar inwoners terecht kunnen voor wel 30 verschillende voorzieningen, van sociale verzekeringen tot opleiding en sport. De ‘shops’ waren oorspronkelijk bedoeld om migranten, met of zonder verblijfsstatus, te helpen hun weg te vinden in de stad. Inmiddels zijn ze door ontwikkeld tot “burger spots” waar alle inwoners terecht kunnen voor persoonlijke hulp bij diensten die veelal, en soms alleen nog maar, online te vinden zijn.

Of minister Koolmees hier nu zijn naam aan wilt verlenen of niet, het gaat uiteindelijk om de oprechte aandacht voor alle inwoners waar ze ook wonen. Niet iedere stad hoeft een hyper dynamische innovatie-hub te zijn. Capelle hoeft geen Amsterdam te worden en ook geen Woerden. Maar er moet wel een fundament aan voorzieningen en kansen zijn, een stad waarvan we burger willen zijn.

Foto: Herman Brouwers

Meer verdieping en verbreding van het sociaal-liberale gedachtegoed? Neem dan nu een abonnement op idee!