Doneer aan de Mr. Hans van Mierlo Stichting

woensdag 11 december 2019

Marchantlezing 2020: een introductie

Op 25 maart 2020 spreekt de Amerikaanse econoom Eric Glen Weyl de tiende Marchantlezing van de Mr. Hans van Mierlo Stichting uit. Weyl komt naar Nederland vanwege zijn in 2018 verschenen boek Radical Markets: Uprooting Capitalism and Democracy for a Just Society (Princeton University Press, hier te bestellen), dat hij schreef met de Amerikaanse jurist Eric Andrew Posner. Tickets voor de Marchantlezing zijn hier te koop. Om alvast in de stemming te komen, hierbij alvast een blik op zijn boek.

Door: Quint Hoekstra

De Amerikaanse en Europese economieën zitten in het slop. Na decennia van ontwikkeling groeiden zij de afgelopen jaren nog maar met één à twee procent per jaar. Daarbij kennen de Amerikaanse en sommige Europese economieën grote sociale, politieke en economische ongelijkheid. In Radical Markets oppert Weyl (met Posner) een manier om het tij te keren. Gebaseerd op de constatering dat eerdere economische groei voornamelijk voortgekomen is door de openstelling van de vrije markt, betoogt Weyl dat verdere groei gerealiseerd kan worden door marktwerking uit te breiden naar nieuwe terreinen. Dit klinkt misschien libertarisch, maar is het niet. De marktwerking die Weyl voor ogen heeft betreft namelijk enkele onverwachte gebieden, zoals eigendom, stemmen, data, beleggingen en immigratie.

Weyl’s abstracte idee dat marktwerking niet alleen helpt om de economie te laten groeien, maar ook een rechtvaardigere samenleven creëert, is interessant, want het is hoogst contra-intuïtief. Economen schrijven toegenomen sociale, politieke en economische ongelijkheid namelijk doorgaans toe aan de introductie van (neo-) liberaal beleid, waarbij overheidstaken deels worden overgedragen aan commerciële partijen. Weyl deelt deze analyse niet en betoogt dat verdere openstelling van de vrije markt juist kansen biedt voor hen die het minder breed hebben. Hij illustreert dit in het boek aan de hand van vijf voorbeelden, waarvan er hier twee worden besproken: eigendomshervormingen en data-arbeid.

Eigendomshervormingen

In de huidige woningmarkt worden huizen gekocht om in te wonen, maar ook als investeringsobject. In het tweede geval kan een huis jarenlang leegstaan voordat de waarde genoeg is gestegen en de eigenaar het op de markt brengt. Hoewel dit economisch rendabel kan zijn voor de eigenaar, is dit maatschappelijk inefficiënt. Bij volledige bewoning zijn er immers minder huizen nodig, waardoor er meer ruimte is voor bedrijventerreinen of natuur. Hoe zorgen we er voor dat huizen op de meest efficiënte manier worden gebruikt, namelijk door er daadwerkelijk in te wonen?

Weyl stelt dat huiseigenaren de waarde van hun vastgoed zouden moeten declareren bij de overheid. Hier betalen zij vervolgens een kleine jaarlijkse belasting over (een soort onroerendgoedbelasting), die vervolgens wordt verdeeld onder de gehele bevolking (of alleen onder huurders). Om er voor te zorgen dat huiseigenaren een waarheidsgetrouwe waarde declareren, krijgen andere burgers het recht om het huis tegen de publiekelijk opgegeven waarde te kopen. Dit stelt vastgoedinvesteerders voor de keuze: óf een hoge jaarlijkse belasting betalen en het leegstaande huis houden, óf de marktwaarde opgeven en het risico lopen het te moeten verkopen. Beide uitkomsten zijn efficiënter dan het huidige systeem van ongeremde leegstand, en leiden dus tot grotere welvaart. Bovendien werkt dit nivellerend, omdat het alleen hen raakt die vastgoed bezitten. Zij die dit niet hebben krijgen juist de kans om een huis te kopen dat zich nu niet op de markt bevindt. Weyl voegt hier direct aan toe dat hetzelfde systeem ook zou kunnen gelden voor andere waardevolle bezittingen, zoals ondernemingen en vervoersmiddelen, en zelfs voor menselijk kapitaal.

Hier is het een en ander op aan te merken. Zo is aanpassing van het recht op eigendom, opgenomen in artikel 17 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, een zeer drastische maatregel om de economie een impuls te geven. Burgers hechten vaak grote waarde aan onvoorwaardelijk bezit van persoonlijk eigendom, zoals erfstukken en goederen van grote emotionele waarde. In het systeem wat Weyl voorstelt zouden burgers dit eigendom alleen kunnen waarborgen door deze te declareren tegen een waarde die substantieel hoger ligt dan de marktprijs. Hierdoor moet er onevenredig veel belasting over dit eigendom worden betaald, wat in de praktijk neerkomt op een taks op emotie. Het is de vraag of burgers dit zouden accepteren.

Ook is het onduidelijk of Weyl’s voorgestelde systeem wel echt zo nivellerend werkt. Vermogende burgers zouden namelijk het recht krijgen om eigendom van de middenklasse naar eigen inzicht op te kopen. De samengaande eigendomsbelasting kunnen zij makkelijk betalen, terwijl de middenklasse het zich niet kan veroorloven om een hoge declaratiewaarde te hanteren om hun eigendom te beschermen tegen overname. Prudentie is daarom geboden. 

Data-arbeid

Weyl’s tweede voorbeeld van marktopenstelling betreft internetgebruik. Sociale mediabedrijven zoals Google, Snapchat en Facebook verkopen advertenties op basis van gebruikersdata. Een bericht op sociale media dat een gebruiker zwanger is, stelt een fabrikant van kinderwagens bijvoorbeeld in staat om alleen bij die persoon een advertentie te plaatsen. Weyl stelt dat geraffineerde gebruikersgegevens intussen zo waardevol zijn geworden voor sociale mediabedrijven ,dat sociale mediagebruikers hier eigenlijk een financiële vergoeding voor zouden moeten krijgen. Dit zou bijvoorbeeld kunnen door sociale mediabedrijven wettelijk te dwingen om een deel van hun omzet uit te keren aan hun gebruikers. Op deze manier wordt gebruikersdata beschouwd als een vorm van arbeid, waar een passende vergoeding bij hoort. Dit stimuleert de economie en is een welkom extraatje voor met name mensen met een bescheiden inkomen. 

Helaas is het niet duidelijk hoe hoog de vergoedingen zouden zijn. Gaat het om twintig euro per maand of slechts om een euro per jaar? Ook ligt manipulatie om de loer. Internetgebruikers zouden namelijk reden hebben om zo veel mogelijk informatie aan te leveren, waarheidsgetrouw of niet, om maximaal te verdienen. Als laatste dient vermeld te worden dat sociale mediabedrijven een deel van hun winst al delen met hun meest winstgevende gebruikers, zoals populaire YouTubers.

 Kritische blik

De ideeën van Weyl (en Posner) zijn, om een D66-term te gebruiken, redelijk radicaal. Praktische uitvoering van volledige openstelling van markten vereist uiteraard veel meer uitwerking dan de 337 pagina’s die Radical Markets telt. De kracht het boek zit hem dan ook niet in de directe toepassing van Weyl’s ideeën in de huidige samenleving, maar in de kritische blik die ze ons dwingen te nemen op het huidige economische bestel. Met name het idee over data-arbeid is waardevol, want dit zwengelt een belangrijk debat aan over de rol die sociale mediagebruikers zouden moeten hebben met betrekking tot de grote sommen geld die verdiend worden met hún data. En zelfs al komen Weyl’s ideeën niet verder dan het vergroten van maatschappelijk bewustzijn over de potentie van marktvergroting, dan nog zal het slagen in het uitdagen van de economische orthodoxie op dit punt.