Doneer aan de Mr. Hans van Mierlo Stichting

De bivakmuts van ‘Dierenactivist nummer 1’

Radicale voorvechters van meer dierenrechten hebben in het verleden regelmatig de grenzen van de wet overschreden. In hoeverre is een activist gebonden aan de wetten van een democratie, wanneer juist die democratie doelwit van het activisme is? Erno Eskens ziet het dilemma, maar kiest uiteindelijk voor de spelregels van de democratie.

Door Erno Eskens

Terwijl steeds meer mensen zich dieractivist noemen, neemt het radicale dierenrechtenextremisme de laatste jaren af. In 2005 waren er nog 178 incidenten – brandstichtingen, vernielingen, sabotages en intimidaties – maar de laatste jaren houden de dierenextremisten zich koest. De AIVD zag de afgelopen vijf jaar geen reden om nog een dik rapport over de kwestie uit te brengen. Er is weinig te vertellen.Het verhaal van Robert Molenaar is wellicht kenmerkend. Vroeger ging hij nog weleens ’s nachts op pad met een bivakmuts op, om nertsen te bevrijden. Dagblad De Pers portretteerde hem in 2008 nog als ‘Dieractivist nummer 1’, een man met een strafblad. Maar Molenaar zette zijn bivakmuts af. Bij zijn laatste bevrijdingsactie in 2013 – hij haalde wat Beaglehonden uit een proefdierlaboratorium in Escharen – stapte hij zelf naar de politie. Hij wilde zich verantwoorden voor zijn daad. Het is een teken des tijds: dieractivisten krijgen vertrouwen in de staat, in de burgerij en in de politiek. Dat komt omdat het tij gunstig is voor de activisten: de cosmetica-industrie mag geen proefdieren meer gebruiken, drie miljoen Nederlanders zijn ‘vleesverlater’ geworden (van wie zo’n 700.000 vegetariër) en de Partij voor de Dieren is in het Nederlandse en Europese parlement doorgedrongen.

Fundamenteel debat
Toch broeit er nog iets. De vooruitgang blijkt oppervlakkig. Nederland neemt de zaak serieuzer, maar dieren worden nog steeds doorgefokt, stallen worden nog altijd groter en de proefdierlaboratoria en slachthuizen zijn nog steeds een hel. De spanning wordt opgevoerd, omdat politici een fundamenteel debat over de status van het dier steeds uit de weg gaan. Ze draaien om de hete brij heen en hullen zich in veelbelovende, maar weinig concrete volzinnen. Ze staan zelfs op de website van D66, toch een van de meest diervriendelijke partijen van ons land: ‘In een beschaafde samenleving behoren dieren netjes behandeld te worden, waarbij de veiligheid voorop moet staan. D66 wil daarom stallen verbeteren en dat dieren meer ruimte krijgen voor natuurlijk gedrag. Daarnaast willen wij onnodig antibioticagebruik en dierproeven verder inperken. Nieuwe stallen of grote uitbreidingen staan we alleen toe als zij voldoen aan de eisen voor volksgezondheid, dierenwelzijn en milieu. En aan grotere stallen stellen we hogere eisen.’

Wat er staat is prachtig, zolang je niet aan close reading doet. Want als je eerlijk bent, weet je dat dieren in een stal nauwelijks natuurlijk gedrag kunnen vertonen. En zou met dat ‘veiligheid voorop’ ook de veiligheid van de dieren zelf worden bedoeld? Waarschijnlijk niet. De frase dat dieren in een beschaafd land ‘netjes behandeld’ moeten worden, is ook tergend oppervlakkig. Het doet een beetje denken aan de mooie volzinnen waarmee men een paar eeuwen geleden de slavernij rechtvaardigde: als je maar goed voor ze zorgt. De Nederlandse slavenhouder Willem Bosman schreef dat wij een zorgplicht hebben voor deze wezens. Brandmerken dient daarom voorzichtig te gebeuren, want slaven, en vooral de vrouwelijke slaven, zijn ‘altôos zoo teer’.

Gelijkwaardige belangen
Wordt het niet eens tijd dat politici stoppen met hun verhalen over ‘de nodige zorg’ aan dieren? Wordt het niet eens tijd dat ze een antwoord formuleren op de vraag wanneer de dierenkwestie écht geregeld is? Daar zijn politici toch voor: om dingen zo te regelen dat een ieder tot zijn recht komt en het vuur van wraak uit de samenleving wordt gehaald? Laat ik alvast een aanzet geven: in een beschaafde democratie horen alle belangen worden te gewogen. Dat zijn D66’ers vast met mij eens. Dieren hebben belangen. Ik denk dat 99% het ook met deze vaststelling eens zal zijn, omdat het nogal evident is. Dieren tonen hun pijn, stress en verveling. Als je weet dat dieren grotendeels dezelfde lichaamsbouw hebben als mensen, als je ook bij hen de stresshormonen kunt meten, als je parallellen in het gedrag herkent, dan is het allemaal nogal logisch.

Dus ligt de vraag op tafel hoe we de belangen moeten wegen. Ik neig ertoe te zeggen dat op dit punt het grondbeginsel van onze democratie geldt: gelijke gevallen worden gelijk beoordeeld. Dat wil zeggen dat belangen van de een niet op voorhand zwaarder wegen dan die van de ander. In een serieuze democratie hoort dit principe voor alle belanghebbenden, ook voor dieren dus, op te gaan. Wie dit argument kan volgen, begrijpt hoe ondemocratisch onze dierenwetten nog zijn. Dieren zijn op voorhand al de pineut, omdat ze in de wet ongeveer de status van een huis hebben. Geef er een schop tegen en je doet de eigenaar pijn. Voor dieren geldt dezelfde zorgplicht als voor huizen: je moet als eigenaar je bezit netjes onderhouden. Daarmee is het dier een rechtsobject, een ding. Ofwel je mag dieren bewust leed toebrengen als dit jouw redelijke doel als eigenaar dient.

Wegen van belangen
Hoe ver mogen activisten dan gaan in hun streven om de democratie te vervolmaken? Wel, dat is uiteindelijk aan de rechter. Die beoordeelt of buitenwettelijke acties toelaatbaar zijn. De rechter weegt een zaak door te kijken naar het algemeen belang (wordt de samenleving er beter van) en naar proportionaliteit (staat het actiemiddel in verhouding tot het doel). Twee mooie, maar lastige criteria, omdat de wet nauwelijks handvatten biedt om het algemeen belang van dieren mee te wegen. En hoeveel dieren je ook uit gevangenschap redt, het blijft juridisch altijd disproportioneel ten opzichte van het wettelijk goed verankerde (economische) recht van de homo sapiens. In de ogen van de rechter zullen activisten dus snel te ver gaan. Het undercover filmen in het kader van nieuwsgaring – een mensenbelang – wordt meestal nog wel toegestaan, en je mag ook een huisdier uit een oververhitte auto bevrijden (omdat dit in het belang van de huisdiereigenaar is). Maar honden die chronisch pijn ondervinden in een laboratorium mag je niet vrijlaten. Laat staan dat je varkens uit hun kleine, donkere en ongezond riekende stallen mag halen.Sommige dieractivisten zien deze juridische misstanden als een aanmoediging om de wet geheel aan de laars te lappen. Als je toch duizend nertsen – levende wezens met eigen belangen – kunt redden door een enkele nertsenfokker financieel te benadelen, dan is dat toch niets minder dan een ethische plicht? En als je de bouw van een life sciences-park kunt tegenhouden door een paar investeerders te intimideren, wegen de baten ook dan niet ruimschoots op tegen de kosten? Deze utilistische manier van denken – het wegen van het leed van de een tegen het leed van de ander – is logisch. Maar de radicalen, de hyperactivisten, wegen oppervlakkig. Ze kijken alleen naar de kortetermijneffecten van hun daden. Op de langere termijn pakken hun acties – ook als ze rechtvaardig zijn – negatief uit. Wie duizenden nertsen bevrijdt, verstoort het ecosysteem – al die dieren moeten immers eten. En wie terreur bedrijft tegen individuen verliest de sympathie van het volk. Daarmee verdwijnt ook het draagvlak voor betere dierenwetten. Uiteindelijk lijden niet alleen mensen, maar ook dieren daar onder.

Gewetensvragen
Dit neemt niet weg dat ik mij kan voorstellen dat je als activist soms, als het echt niet anders kan, de wet welbewust overtreedt. Bijvoorbeeld door in te breken in stallen om via je videomateriaal aan het volk te laten zien wat er gaande is. Misschien verniel je zelfs een slachthuis, omdat je de misstanden aldaar niet meer aan kon zien. Maar ook in dat geval moet de bivakmuts af. Anders maak je je schuldig aan eigenrichting en terreur. Was dat niet je opzet, dan moet je je verantwoorden voor de rechter. Laat maar zien hoe gebrekkig het instrumentarium van de rechter in jouw geval is. Nodig de pers uit bij je op voorhand al onrechtvaardige proces, zodat journalisten zich ook eens in de zaak gaan verdiepen. Misschien zet het mensen aan tot denken, misschien win je er harten mee, misschien verleid je mensen tot het stemmen op een diervriendelijke partij. Maar voordat je op pad gaat, moet je eerst de gewetensvraag eerlijk beantwoorden: is je actie echt nodig, of kan het ook anders? Want als er andere opties zijn – en meestal zijn die er – dan is een wetsovertreding niet te verantwoorden en contraproductief. En stel jezelf ook deze vraag: zijn we op langere termijn niet het beste af met geweldloos verzet? Ik denk van wel.

Het zou goed zijn als D66, nu al een van de meest diervriendelijke en meest democratische partijen van het land, de wat hol klinkende zinnen van haar site haalt en het idee van dierenrechten zal omarmen. De partij heeft immers altijd gevochten tegen discriminatie van welke aard dan ook. Hoe meer politici voor fundamentele rechten opkomen, hoe minder polarisatie er zal zijn. Voor dieractivisten, en filosofen zoals ik, is het onrecht niet te verteren. Wij zullen ervoor vechten om het van tafel te krijgen. Hoever wij daarin mogen gaan, laat zich raden. Als je voor democratie bent, moet je je ook aan de spelregels ervan houden. Ik raad dieractivisten dan ook altijd aan een voorbeeld nemen aan ‘Dieractivist nummer 1’. Doe de bivakmuts af, probeer binnen de marges van de wet te blijven en als dat niet lukt, ga dan zelf naar de politie. Wellicht pikken pers en politici er iets van op. Misschien willen ze je zelfs een beetje steunen. Dat zou fijn zijn, want gezamenlijk kunnen wij de democratie voltooien.

 

Erno Eskens is programmadirecteur van de Internationale School voor Wijsbegeerte. Hij werkte eerder als hoofdredacteur van Filosofie Magazine en publiceerde meerdere boeken waaronder Democratie voor dieren (Uitgeverij Contact, Amsterdam 2009).

Dit artikel verscheen in Idee nr. 4 2015: Hedendaags activisme.

Laatst gewijzigd op 22 november 2018