Doneer aan de Mr. Hans van Mierlo Stichting

Het debat over zelfbeschikking

1984

Daniël Boomsma

Midden jaren tachtig kwam de discussie over het zelfbeschikkingsdebat in een stroomversnelling rond een wetsvoorstel van Tweede Kamerlid Elida Tuinstra (D66) voor het onder voorwaarden legaliseren van euthanasie. Het legde jarenlang de politieke scheidslijnen bloot over vrijheid, normen en waarden en de rol van de staat.

De jaren tachtig vormden het decor van een nieuwe politieke strijd over zelfbeschikking. Waar Nederlandse liberalen zich aan het einde van de negentiende eeuw inzetten voor zelfbeschikking bij het gebruik van anticonceptie, ging het debat in de jaren tachtig over de mogelijkheid op abortus en vooral euthanasie (zie venster De strijd voor anticonceptie). In 1981 zorgde een wetswijziging, ondanks fel verzet van CDA, SGP en de gereformeerden van GPV en RPF, voor het niet langer strafbaar stellen van abortus. Begin jaren tachtig ontstond ook langzaam een parlementaire meerderheid voor het legaliseren van hulp bij zelfdoding. De wet bleef achter, maar de maatschappelijke consensus was er wel: in 1985 stond 88 procent van de Nederlanders tolerant tegenover euthanasie onder bepaalde omstandigheden.

Al in 1978 was met een kamerbrede motie gevraagd om een staatscommissie inzake euthanasie. Maar het duurde jaren voordat deze er kwam en advies uitbracht (1985). Het debat over zelfbeschikking aan het einde van het leven werd in belangrijke mate beïnvloed door een wetsvoorstel van Tweede Kamerlid voor D66 Elida Tuinstra, dat ze indiende op 12 april 1984. Tuinstra betoogde dat onder bepaalde zorgvuldigheidseisen hulp bij zelfdoding niet langer strafbaar diende te zijn. De VVD kreeg ze oorspronkelijk mee, maar het initiatief lag vooral bij D66. Dat lag met name aan de invloed van de toenmalige coalitiepartner van de VVD, het CDA. Van de Partij van de Arbeid kwam weinig initiatief, onder meer omdat voorman Joop den Uyl huiverig was. Een parlementaire meerderheid was er echter wel.

Tuinstra zag haar wetsvoorstel als een lang achtergebleven vervolg dat de wetgever zou moeten geven aan veranderende maatschappelijke opvattingen. In haar voorstel wees ze op de rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid voor hulpverleners en hulpvragers in de huidige situatie, maar ook maakte ze een principieel argument dat draaide om ‘het recht van de mens op erkenning en eerbiediging van eigen lichamelijke en geestelijke integriteit’. Zelfbeschikking dus, al werd die term pas eind jaren zeventig geïntroduceerd. Door de voortgang van de medische wetenschap zouden mensen ‘zonder hoop op beterschap’ de mogelijkheid moeten hebben op ‘menswaardig sterven’, betoogde Tuinstra.

In een debat in de Tweede Kamer omschreef ze ook de rol van de overheid. Uitgaande van de ‘algemeen geaccepteerde norm van de beschermwaardigheid van het leven’ moet die ‘ruimte scheppen voor ieders individuele beslissing de grenzen van die bescherming voor zijn eigen leven te bepalen’, zonder daarbij de positie van ‘de zwakken in de samenleving en de kwaliteit van de hulpverlening’ uit het oog te verliezen.

Het voorstel van Tuinstra stuitte op weerstand. De Raad van State adviseerde te wachten op het rapport van de staatscommissie. Maar Tuinstra wilde door. Het CDA zette de hakken in het zand en kreeg daarbij een door verkiezingskoorts bevangen VVD mee. Ministers van Justitie en Volksgezondheid Frits Korthals Altes en Elco Brinkman, respectievelijk van VVD- en CDA-huize, zagen te veel nadelen aan de wet. De twee stuurden een ‘Proeve van een wetsontwerp met toelichting’ naar de Tweede Kamer om het proces te vertragen. Zo zou de Kamer twee voorstellen (waarvan één een echte wet) in behandeling moeten nemen, want de datum voor de behandeling van het voorstel van Tuinstra lag al vast.

De gemoederen liepen hoog op. Premier Ruud Lubbers dreigde de VVD met een kabinetscrisis als de partij positief tegenover het voorstel van Tuinstra bleef staan. In februari 1986, twee maanden voor de Tweede Kamerverkiezingen, stelde VVD-lijsttrekker Ed Nijpels dat ‘om recht te doen aan de problemen die een belangrijke minderheid in dit land met dat wetsontwerp heeft’ de partij haar steun introk. Ondanks dat Tuinstra voorstellen tot wijziging van de VVD in haar voorstel had overgenomen.

In de Kamer zou het uiteindelijk pas op 9 februari 1993 tot stemming over het voorstel komen. D66 en ook de VVD stemden voor, maar het voorstel van Tuinstra haalde geen meerderheid. Een ander wetsvoorstel van regeringspartij CDA, om artsen niet te vervolgen bij hulp bij zelfdoding, mits ze dit wel zouden melden, haalde wél een meerderheid. Pas in 2001 zou euthanasie onder het ministerschap van Els Borst ook formeel niet langer strafbaar zijn. Het ‘zelfbeschikkingsdebat’ legde zo jarenlange scherpe politieke scheidslijnen bloot over vrijheid, normen en waarden en de rol van de staat. Aan de ene kant het uitgangspunt van beschikking over het lichaam en aan de andere kant de beschermwaardigheid van het leven. Voor Tuinstra, die de Kamer al ruimschoots had verlaten toen euthanasie wettelijk mogelijk werd, was zelfbeschikking echter niet zo absoluut als haar door tegenstanders werd verweten. ‘Een mens is niet alleen op de wereld,’ benadrukte ze. ‘Hij leeft in een samenleving met anderen, in een sociale context, met zijn normen en waarden.’ Maar ze vond ook dat de politiek een doelstelling van humanisering van de samenleving had. ‘Met respect voor ieders eigen levensovertuiging dient zij ruimte te bieden voor menswaardig sterven voor allen die daar op gerechtvaardigde gronden naar verlangen.’

Verder lezen
Heleen Weyers, Euthanasie. Het proces van rechtsverandering, Amsterdam University Press, Amsterdam 2004
James Kennedy, Een weloverwogen dood. Euthanasie in Nederland, Bert Bakker, Amsterdam 2002
Elida Tuinstra, ‘Het recht van initiatief in theorie en praktijk’ in: Schrijvers over Sprekers, Den Haag 1993

Laatst gewijzigd op 20 januari 2020