Doneer aan de Mr. Hans van Mierlo Stichting

70 jaar vrede en vrijheid? Een voorbarig jubileum

Alle aandacht voor slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog in Nederland is terecht, maar ook te beperkt, menen historici Bart Luttikhuis en Bastiaan Nugteren. Met ’70 jaar vrijheid’ vergeten we voor het gemak dat Nederland vlak na de oorlog juist de agressor was in Indonesië. 

Door Bart Luttikhuis en Bastiaan Nugteren

‘Wie de ogen sluit voor het verleden, is blind voor de toekomst‘. Deze woorden, ontleend aan een beroemde rede van de Duitse bondspresident Richard von Weizsäcker uit 1985, vormen het motto voor de herdenkingen en vieringen van 4 en 5 mei 2015. Dat het Nationaal Comité 4 en 5 mei dit jaar extra uitpakt zal niet verbazen. Zoals het Comité groots aankondigt op zijn website is het zeventig jaar geleden dat Nederland bevrijd werd door de geallieerden en er een einde kwam aan de Tweede Wereldoorlog. Toch is dit jubileum ook een uitdaging voor het Nationaal Comité. Het aantal ooggetuigen van de bevrijding neemt gestaag af en men vreest dat daardoor de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog zal verwateren. Door middel van debatavonden en de publicatie van een conceptvisie probeert het Nationaal Comité de toekomst van 4 en 5 mei vorm te geven. Als overkoepelende titel voor dit project werd gekozen: Vrijheid geef je door. De herinnering aan een Nederland zonder vrijheid mag niet verloren gaan.

De inhoudelijke thematekst voor de herdenking is dit jaar geschreven door de Tilburgse hoogleraar en bestuurslid van het Nationaal Comité Maurice Adams, en draagt eveneens de titel Wie de ogen sluit voor het verleden, is blind voor de toekomst. Adams’ boodschap luidt dat wij nooit direct kunnen leren van de geschiedenis, maar dat er wel parallellen te trekken zijn. Zo ziet hij onder andere overeenkomsten tussen Joodse vluchtelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog en de hedendaagse vluchtelingenstroom uit het Midden-Oosten. Adams vreest de vervaging van de herinnering:

“We moeten concrete verhalen vertellen om ze van generatie op generatie door te geven en in stand te houden. Verhalen bijvoorbeeld over de bombardementen op Nijmegen en Rotterdam, de hongerwinter, de dwangarbeid in Zuidoost-Azië, het verzet tegen de Duitse overheersing, de ontberingen in de Japanse interneringskampen (…) Deze verhalen hebben echter ook tot doel meer zicht te krijgen op de structuren die leiden tot de uitschakeling van rechtsstaat en democratie, en tot het verdwijnen van tolerantie en respect.”

De door Adams genoemde voorbeelden van oorlogsgeweld kunnen ons natuurlijk veel leren over het afglijden van een maatschappij in onderdrukking en haat, maar het probleem is dat deze voorbeelden zich beperken tot situaties waarin Nederlanders in de slachtofferrol verkeerden. Is het niet juist zinvol om ook stil te staan bij momenten waarop Nederlanders agressors waren, om dergelijke onderliggende structuren van onderdrukking en geweld beter te begrijpen?

WIJ DOELEN HIER op de Indonesische dekolonisatieoorlog van 1945 tot 1949 – in Nederland beter bekend als de Politionele Acties – die nog steeds een ondergeschikte rol speelt in het nationale zelfbeeld van Nederland. Het blijft verbazingwekkend dat de grootste overzeese interventie in de Nederlandse geschiedenis een zo kleine rol speelt in het narratief van ons oorlogsverleden. Een simpele vergelijking spreekt boekdelen: tegenover 280.000 militairen die tijdens de meidagen in 1940 het land verdedigden tegen de Duitse inval, staan ruim 180.000 militairen die onder Nederlandse vlag vier jaar lang streden tegen de Indonesische Republiek en om ‘rust en orde’ te brengen in Nederlands-Indië.

De viering van ’70 jaar vrijheid’ krijgt daarmee een wrange bijsmaak. Voor de circa 60.000 soldaten van het KNIL en voor de 120.000 oorlogsvrijwilligers en dienstplichtige soldaten die vanuit Nederland naar Indonesië gezonden werden was de oorlog nog niet voorbij. Daarnaast beschouwde Nederland tot aan de rondetafelconferentie in 1949 de Indonesische archipel als Nederlands grondgebied, waardoor de Indonesische dekolonisatieoorlog vanuit Nederlands perspectief toentertijd eigenlijk een burgeroorlog was. Voor de onderdanen van het Nederlandse Koninkrijk – Nederlanders én Indonesiërs – die in 1945-1949 in Indonesië verbleven of woonden lieten vrede en vrijheid nog minstens vier jaar op zich wachten.

Tijdens de dodenherdenking van 4 mei herdenken wij alle militairen en burgers die sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, ‘in het Koninkrijk der Nederlanden of waar ook ter wereld’, slachtoffer zijn geworden van oorlogsgeweld. Door de jaren heen is dit begrip steeds breder geworden, om zo ook Nederlandse slachtoffers in recentere oorlogssituaties en vredesmissies te eren. De dodenherdenking van 4 mei heeft echter duidelijke grenzen, zoals het Nationaal Comité 4 en 5 mei op zijn website toelicht. De daders herdenken wij niet. In het geval van de Tweede Wereldoorlog is het onderscheid tussen slachtoffer en dader soms al problematisch, maar tijdens de Indonesische dekolonisatieoorlog is het water nog troebeler. Veel Nederlanders kwamen om door revolutionair Indonesisch geweld tijdens de chaotische periode die bekend is komen te staan als de Bersiap. Aan de andere kant maakten de oorlogshandelingen van Nederlandse militairen veel slachtoffers onder de Indonesische bevolking. Een brede interpretatie van de richtlijnen van het Nationaal Comité zou het mogelijk moeten maken ook de Indonesische slachtoffers te herdenken: zij sneuvelden immers ook ‘in het Koninkrijk der Nederlanden’ en waren op dat moment naar Nederlandse opvatting zelfs nog Nederlandse onderdanen. Maar in de praktijk lijken Indonesische slachtoffers grotendeels genegeerd te worden, terwijl we wél de Nederlandse burgers en militairen herdenken die tijdens deze guerrillaoorlog zijn omgekomen. Zou het niet logisch zijn om juist ook de door Nederlands oorlogsgeweld veroorzaakte slachtoffers te herdenken?

Als men inderdaad, zoals Adams in zijn thematekst voor 4 en 5 mei bepleit, de onderliggende structuren van de uitschakeling van een rechtsstaat en het verdwijnen van tolerantie en respect wilt begrijpen, moet men ook kijken naar hoe het kwam dat het Nederlandse leger in Indonesië grote aantallen burgerdoden kon veroorzaken, en zelfs tot oorlogsmisdaden kon overgaan. Niet omdat de beide opvolgende oorlogen met elkaar gelijk te stellen zijn, maar omdat het op zijn minst opmerkelijk is dat een democratisch land als Nederland, vrijwel onmiddellijk na de eigen bevrijding van de Duitse bezetting, zich destijds blijkbaar gerechtigd zag tot het voeren van een dergelijke vuile oorlog.

WANT EEN VUILE OORLOG werd het. Dat er wreedheden en misstanden hebben plaatsgevonden staat intussen buiten kijf. In een oorlog blijft de burgerbevolking natuurlijk zelden gespaard. De Indonesische dekolonisatieoorlog is daarop geen uitzondering. Ook daar stierven grote aantallen burgers die tussen het vuur van Nederlandse militairen en Indonesische guerrilla’s terechtkwamen. Anderen kwamen om tijdens bombardementen met vliegtuigen, artillerie of mortieren. Sommige van deze burgerslachtoffers zouden gezien kunnen worden als betreurenswaardige collateral damage – een veelvuldig terugkerende rechtvaardiging voor burgerslachtoffers in officiële documenten en veteranengetuigenissen. Maar schokkender is het om te zien dat het historische onderzoek naar deze oorlog ook regelmatig voorbeelden biedt van regelrechte represailles of van onnodige vormen van geweld tegen gevangenen.

Aanwijzingen voor twijfelachtige executies en voor het martelen van gevangenen vinden we in een groot aantal dagboeken, memoires en brieven van militairen. Het doel van martelingen was inlichtingen te krijgen over de verblijfplaats van guerrilla’s. Het heeft daarmee alleen een indirecte militaire noodzaak. Juist omdat het verleidelijk is om tot martelmethoden over te gaan, om zo snel aan informatie te komen, worden er door het internationale oorlogsrecht strikte beperkingen opgelegd aan hardhandige verhoormethoden. Maar de autoriteiten in Indië achtten dat recht niet toepasselijk; zij waren immers niet verstrikt in een oorlog maar in een intern ‘politioneel’ conflict. De Rotterdamse historica Stef Scagliola vond onder andere de volgende getuigenis in een brief van een veteraan, opgesteld in 1969:

De man die werd verhoord wilde na klappen en stompen niets zeggen. Dan werden de hand en voeten gebonden (sic) een dikke doek over mond en neus, en dan water erop. Dat is gelijk een verdrinkingsdood, als men daar dan lang mee doorgaat. Als de man ergens belangrijk was, namen ze hem later mee en gingen ze verder met verhoor elders. Ondanks het feit dat ik wel eens hoorde dat gevangenen werden geslagen en met stroom werden behandeld, kon ik aanvankelijk toch nog wel genieten van de schoonheid van Indonesië.[1]

Sinds zijn toepassing in de Amerikaanse war on terror heeft deze techniek, het waterboarding, een zekere beruchtheid vergaard. Daarnaast vinden we ook terugkerende getuigenissen van het tot bloedens toe slaan of schoppen van gevangenen, en opvallend vaak van de toepassing van stroomschokken. De inventieve manier waarop elektrocutie plaatsvond – met behulp van de kabels van militaire veldtelefoons die vastgemaakt werden aan ledematen of geslachtsdelen – wijst erop dat dit een praktijk was die eenvoudig ook op afgelegen locaties door kleine onderdelen toegepast kon worden. In het invloedrijke werk van de veteranen Jacques van Doorn en Wim Hendrix uit 1970, Ontsporing van Geweld, wordt zelfs gesuggereerd dat martelmethoden geleidelijk aan een ‘normaal’ aspect gingen uitmaken van de oorlogsvoering in het uitgestrekte, door vijandige strijders geïnfiltreerde gebied. In toenemende mate lijkt daarbij het doel van informatievergaring te zijn vergezeld van een secundair doel: intimidatie van de vijand en van de lokale bevolking.

Ook vinden we in veteranengetuigenissen veelvuldig voorbeelden van het zonder proces executeren van gevangenen. Om een mogelijke veroordeling door de krijgsraad te ontwijken worden in militaire rapporten executies doorgaans alleen in verhullende termen aangeduid. De klassieker is ‘op de vlucht neergeschoten’. De al genoemde historica Scagliola citeert bijvoorbeeld uit een ingezonden brief in het Nieuwsblad van het Noorden (10 februari 1969) van veteraan J. Bulthuis, die beschrijft hoe nieuwe gevangenen allereerst verhoord werden en alleen bij voldoende bewijs doorgestuurd werden naar het hoofdkwartier voor verder onderzoek en een juridische vervolging. De gevangenen die als verdacht werden gezien maar voor wiens schuld onvoldoende bewijs was, werden ‘opgeruimd’. Bulthuis legt uit: “Dat ging heel eenvoudig. Op de eerstvolgende nachtelijke patrouille moest de man voorop lopen om de weg te wijzen naar een bepaalde kampong. In de eerste de beste rivier werd de man in de rug geschoten en dreef weg.” In de militaire rapporten die deze veteraan persoonlijk onder ogen kreeg stond vervolgens dat de gevangenen op de vlucht neergeschoten waren. “Op deze wijze werden in onze compagnie naar schatting 100 personen geliquideerd”, rapporteert Bulthuis.[2]

OF DEZE VOORBEELDEN geïsoleerde ‘ontsporingen’ zijn of juist het topje van een ijsberg weten we door gebrek aan onderzoek nog altijd niet. Executies en martelpraktijken waren gekenmerkt door geheimhouding of ook onverschilligheid. Het waren geweldsuitspattingen “waar de hogere commandanten niets van wisten, waar zelfs de soldaten niets van behoefden te weten voor zover ze de, door het nachtelijk duister omgeven daden, niet persoonlijk hadden gezien”, aldus Bulthuis. Eén van de oorzaken voor dit soort ‘excessen’ was dat de stressvolle guerrillaoorlog en de chronische onderbemanning (gezien het enorme terrein) de militairen welhaast dwong tot improviseren. Maar wellicht belangrijker nog is dat de hogere rangen bewust de vrijheid tot improviseren toelieten. Recent karakteriseerde de Zwitserse historicus Rémy Limpach dit als een ‘cultuur van rechteloosheid’, waarin het militaire rechtssysteem vrijwel nooit optrad tegen geweldsexcessen. Simpele soldaten of pelotonscommandanten hoefden geen moment wakker te liggen over een mogelijke vervolging. Van Doorn en Hendrix introduceerden hiervoor al in 1970 het begrip ‘systeem van overlaten’: de commandanten konden en moesten meer weten, maar wilden eigenlijk liever niet geïnformeerd worden over hoe de worst gemaakt werd.

De collectieve desinteresse voor misdaden die onder Nederlandse vlag zijn gepleegd heeft zich in de decennia sinds de oorlog voortgezet. Van een volledig stilzwijgen was weliswaar geen sprake, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de publicatie van de zogenaamde Excessennota in 1969. Maar zoals ook Cees Fasseur, één van de opstellers van deze nota, onlangs aangaf, was deze gebaseerd op haastig uitgevoerd onderzoek onder politieke druk. Tot een meer compleet onderzoek is het sindsdien nooit meer gekomen. Bovendien werd de oorlog in Indonesië ook geen onderdeel van het algemene historische zelfbeeld van Nederland. In ons nationale geschiedverhaal is de dekolonisatie tussen wal en schip geraakt: bekneld tussen verhalen over de Tweede Wereldoorlog, de Koude Oorlog, en de Europese eenwording. De naoorlogse periode ging de geschiedenisboeken in onder het kopje ‘jaren van wederopbouw’. Onder historici en ook in de bredere populaire cultuur kan ‘De Oorlog’ – overigens geheel terecht – nog altijd op een groot publiek rekenen. Maar de oorlog in Indonesië blijft een niche-interesse, net alsof dit een curieuze gebeurtenis was die op een zijtoneel plaatsvond en niet een centrale acte op het mainstream toneel van het Nederlandse verleden.

Als we vasthouden aan het beeld dat Nederland sinds 1945 intussen 70 jaar ononderbroken in vrede en vrijheid heeft geleefd, weigeren we te erkennen dat Nederlandse acties aan de andere kant van de wereld ook tot onze geschiedenis behoren. Nederland ziet zichzelf graag als gidsland voor de internationale mensenrechten en put zijn inspiratie daarvoor onder andere uit de Tweede Wereldoorlog. Maar wil het daarin geloofwaardig zijn, dan moet het ook bereid zijn de eigen misstappen onder ogen te zien. De dekolonisatie-oorlog in Indonesië hoort daar zeker bij. Als wij het pleidooi van Maurice Adams volgen en de onderliggende redenen van haat en onderdrukking willen begrijpen, is het juist nuttig om te kijken naar de momenten waarop de democratische rechtsstaat Nederland zélf de rol van agressor en onderdrukker verkoos. Want wie de ogen sluit voor het verleden, is blind voor de toekomst.

 

Bart Luttikhuis is postdoctoraal onderzoeker aan het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV-KNAW) te Leiden. Hij is gespecialiseerd in de laat-koloniale geschiedenis en de dekolonisatie van Indonesië. Momenteel is hij verbonden aan het project ‘Nederlandse militaire operaties in Indonesië, 1945-1950’.

Bastiaan Nugteren is masterstudent Colonial & Global History aan de Universiteit Leiden. Hij liep in 2014 stage bij het onderzoeksproject ‘Nederlands Militair Optreden in Indonesië, 1945-1950’ van het Koninklijk Instituut voor Taal- Land- en Volkenkunde (KITLV).

Dit artikel verscheen in Idee nr. 1 2015: Alles Flex?

Laatst gewijzigd op 22 november 2018