Doneer aan de Mr. Hans van Mierlo Stichting

De sociaal-liberale wereld van: Annelien Bredenoord

In de politiek van vandaag de dag is weinig ruimte voor alles meer dan een pakkende oneliner. Achter het snelle idee gaat (hopelijk) echter een hele gedachtewereld schuil. Uitgangspunten, waarden, en wensen over de wereld die de politicus voor zich ziet. Sjoerdje van Heerden spreekt namens de Idee vier D66-politici, actief op verschillende politieke niveaus – Europees, nationaal, regionaal en lokaal – over hun sociaal-liberale mens- en wereldbeeld. De eerste politicus in deze reeks: kandidaat voor de Eerste Kamer Annelien Bredenoord.

Door Sjoerdje van Heerden

“De paradox van keuzevrijheid”

Het is zaterdagmiddag en de Utrechtse binnenstad is volgestroomd met winkelend publiek. Iets na twaalven stapt Annelien Bredenoord de afgesproken locatie binnen. Bredenoord is 35 jaar, associate professor Medische Ethiek aan het Universitair Medisch Centrum Utrecht en sinds 2014 lid van de Jonge Akademie van de KNAW. In april stopt ze als voorzitter van D66 Utrecht, want ze is kandidaat voor D66 in de Eerste Kamer.

In hoeverre voldoe je aan de stereotype D66’er: een relatief hoogopgeleide, hedonistische, postmoderne, kosmopolitische stedeling, die goed tegen leven in onzekerheid is opgewassen?
‘Als je naar mijn profiel kijkt, heb ik twee studies gedaan, ben ik gepromoveerd en werk ik aan de universiteit als medisch ethicus. Ik ben internationaal georiënteerd en ik vind waarden als zelfontplooiing, tolerantie en vrijzinnigheid belangrijk. Daarnaast houd ik van reizen en van lekker eten en drinken. Bovendien vind ik het belangrijk om maatschappelijk actief te zijn. Mensen grappen weleens dat ik de vleesgeworden D66’er ben.’

Vind je het vervelend om op deze wijze getypeerd te worden?
‘Nee hoor, absoluut niet.  Ik vind dat iets om trots op te zijn.’

Wat vind je van de kritiek dat de sociaal-liberale D66’ers te weinig voeling hebben met mensen die niet binnen hun straatje passen? Om het gechargeerd te zeggen: met mensen die niet hoogopgeleid en kansrijk zijn? 
D66’ers zijn in verschillende mate carrièregericht, maar zij nemen allemaal hun maatschappelijk verantwoordelijkheid. D66 staat voor zelfontplooiing en voor tolerantie. Sociaal-liberalisme en vrijzinnigheid zijn naar mijn idee inherent aan elkaar verbonden. Vrijzinnigheid zie ik enerzijds als een stroming die persoonlijk vrijheden nastreeft, anderzijds als een houding van onbevangenheid, openheid en tolerantie. Je hebt oog voor de andere kant van het gelijk en je kiest ervoor om met elkaar in gesprek te gaan. Dat ons gedachtegoed past bij het profiel van postmodernisten, kosmopolieten en ook een beetje bij hedonisten, neemt niet weg dat we ook aansprekend zijn voor andere groepen. Hier in Utrecht bijvoorbeeld,  hebben we de afgelopen verkiezing een veel bredere kiezersgroep aangetrokken. Ik denk dat onze nadruk op ontplooiing ook heel aantrekkelijk is voor andere groepen, zoals de opwaarts mobielen. Bovendien denk ik dat D66 met de hervormingsagenda, kijk naar de groeitour, enorm aansprekend is voor veel ZZP’ers.’

Je noemt zojuist het sociaal-liberalisme als uitgangspunt, maar je hoort weleens verwijten dat het onduidelijk blijft, wat nu precies onder deze ideologie verstaan wordt. Zou je jouw visie hierop kunnen geven? 
Die verwijten hoor ik ook weleens, maar ik vind ons helemaal niet onduidelijk. Ik vind ons gedachtegoed heel goed te vangen. Als je nog een stroman wilt maken van D66, dan wordt er heel negatief gedaan over het individualisme. Ons startpunt van denken is het individuele en de persoonlijke vrijheden, maar het sociaal-liberalisme heeft ook oog voor de gemeenschap en het feit dat iemand een sociaal wezen is. Ik geloof dat je veel dingen alleen maar voor elkaar kunt krijgen, omdat anderen je daarin een steuntje geven. Ik zie het sociaal-liberalisme als een vrijzinnige tak van het liberalisme, met een hele sterke nadruk op positieve vrijheid.’

Wat moeten we verstaan onder positieve vrijheid?
Als we het hebben over vrijheid, gebruik ik zelf vaker het begrip autonomie. Dat komt door mijn werk, in de medische ethiek is autonomie een extreem belangrijk concept. Het is eigenlijk een beetje de pijler van de moderne medische ethiek en ook van de moderne gezondheidsrechtelijke wetgeving. Het is een term die zijn oorsprong vindt in de Griekse stadstaat, die auto (zelf) noom (van nomos, wetten) wilde zijn: zijn eigen wetten wilde stellen. In de Verlichting is het begrip, onder meer door Kant, toegepast op mensen. In plaats van dat je heteronoom bent en dat de landheer of de kerk bepaalt wat jouw morele wetten zijn, moeten mensen hun eigen wetten stellen. Vervolgens is dit gedachtegoed door de existentialisten uitgewerkt tot het autonomiebegrip zoals we dat nu kennen. Ik vind zelf de toevoeging van de existentialisten heel mooi. Nadat Friedrich Nietzsche god dood had verklaard, vroeg bijvoorbeeld Dostojevski ‘als god nu dood is, is dan alles geoorloofd?’. Volgens Jean-Paul Sartre zijn we veroordeeld tot de vrijheid. Zij hebben duidelijk gemaakt dat het hebben van autonomie en vrijheid ook moeilijk kan zijn, dat het veeleisend is. Vrijheid legt een verantwoordelijkheid bij mensen en vereist dat je een beroep doet op je persoonlijke geweten. Dat je je eigen morele wetten moet stellen, brengt een enorme opdracht  met zich mee.’

Dus dat je in staat bent om een beroep te doen op je eigen morele geweten, is een uiting van positieve vrijheid?
‘Met het oog op het sociaal-liberalisme, kan je misschien het beste kijken naar Isaiah Berlin, die een onderscheid heeft gemaakt tussen positieve en negatie­­ve vrijheid, waarbij negatieve vrijheid het recht is om met rust gelaten te worden. In de gezondheidszorg noemen we dat het schildrecht. Dit is het recht dat je niet zonder jouw toestemming geprikt of geopereerd wordt. Het positieve autonomierecht is veel meer de mogelijkheid om je leven vorm te geven volgens jouw waarden. Het positieve autonomierecht houdt in dat je je moet kunnen ontplooien, dat er geen beknellende factoren zijn vanuit de maatschappij die jou verhinderen om je leven vorm te geven. Tijdens mijn colleges en in mijn werk gebruik ik trouwens vaak het werk van Joel Feinberg. Feinberg onderscheidt drie vormen van autonomie: capaciteit, recht en ideaal. Autonomie als capaciteit behelst de vraag; ben je wilsbekwaam? Dat is iets wat je toetst. Autonomie als recht, dat gaat om die negatieve vrijheid. Dat is iets wat je respecteert. Autonomie als ideaal, dat is nastrevenswaardig. Dat is iets wat je stimuleert. Deze derde vorm van autonomie is het meest veeleisend. Hoe dan ook, ik denk dat het cruciaal is, dat je autonomie altijd ziet als zowel negatief recht, als positief recht.’

Waarom is het zo belangrijk om beide kanten te benadrukken?
Omdat ik denk dat een pure nadruk op negatieve autonomie, kan uitmonden in het recht om ‘weg te rotten’, dat noemen we ook wel ‘ the right to rot’.  Als je mensen enkel zegt, het zijn je eigen beslissingen, kies zelf maar, dan heb je kwetsbare groepen in de gezondheidszorg en ook psychiatrische groepen, die je aan hun lot overlaat. En daarom is het positieve autonomierecht, dat je deze groepen een handje moet helpen bij beslissingen nemen. Een rechtvaardige samenleving heeft in mijn ogen niet alleen aandacht voor die negatieve autonomie, voor mensen die zich toch wel redden, maar ook moet je mensen de mogelijkheid geven om die positieve autonomie te verkrijgen. We hebben dat niet allemaal meegekregen van huis uit.  Dat betekent dat je een onderwijsagenda moet hebben, zodat je mensen leert om zichzelf te ontplooien. Ook heb je hier gezondheidszorg voor nodig. Deze klassieke sociale grondrechten zijn naar mijn idee bedoeld om de positieve autonomie te stimuleren.’

Ik kan me voorstellen dat het beperken van belemmeringen enerzijds en het nemen van maatregelen tot sturing anderzijds een spanning met zich meebrengt. Kan je vanuit jouw vakgebied een voorbeeld geven waarbij er een dilemma bestaat tussen het behouden van negatieve vrijheid en het creëren van positieve vrijheid?
Om te beginnen, als we iedereen de vrijheid geven, dan komt er hoe dan ook een punt dat iemand die streeft naar onbelemmerde vrijheid, anderen in de weg gaat zitten. Dit is het klassieke schadebeginsel. Waar je over moet nadenken is tot hoeverre je mensen de vrijheid gunt en wat is het kantelpunt? Wanneer mag je legitiem ingrijpen? Daarnaast bestaat er een spanning tussen het individu en de gemeenschap. In de gezondheidszorg zijn er voorbeelden waarbij ultieme vrijheid voor het individu, uiteindelijk voor de groep niet goed is. Bijvoorbeeld, wanneer je mensen volledige zelfbeschikking zou geven, waardoor ze hun lichaamsweefsel dat overgebleven is na een operatie of biopsie niet meer zouden afstaan voor onderzoek. Dat zogenaamde ‘rest’ weefsel is namelijk nodig voor wetenschappelijk onderzoek en dus voor vooruitgang. Momenteel hanteren we hiervoor een geen-bezwaar-systeem (een opt-out). Als jij geen bezwaar hebt, dan wordt jouw restweefsel beschikbaar gemaakt voor onderzoek. Ik verdedig zo’n systeem, omdat als we maximale keuzevrijheid zouden hebben, dan zou dat voor de grotere groep nadelig uitpakken. Het probleem van the tragedy of the commons. Stel je hebt een opt-in systeem (waarbij mensen expliciet moeten aangeven dat ze hun weefsel willen afstaan), dan verlies je hoogstwaarschijnlijk toegang tot het weefsel van een grote groep, die er nu onverschillig tegenover staat en daardoor niet expliciet bezwaar maakt. Het donorcodicil illustreert hetzelfde vraagstuk. Overigens, er moet altijd een opt-out blijven. Er moet altijd een mogelijkheid bestaan om te zeggen ‘daar wil ik helemaal niet aan meedoen, ik onttrek me aan alles’. Maar dat mag je best een beetje moeilijk maken, vind ik.’

Aangeven of je je lichaamsweefsel wel of niet wilt afstaan, is een vrij duidelijke keuze.  Maar sommige keuzes zijn niet zo makkelijk. Bas Blokker uitte begin dit jaar kritiek op D66 (NRC Handelsblad, 03-01-2015) door te stellen dat de partij geen oog heeft voor mensen die niet zo zelfredzaam zijn, voor mensen die structuur nodig hebben en voor wie keuzevrijheid niet per definitie een zege is.
Dat is inderdaad wel een aandachtspunt. Er zijn mensen die meer sturing en structuur nodig hebben. Dat is volgens mij het verschil met het VVD-liberalisme, waarbij de nadruk meer ligt op negatieve vrijheid. Bij sociaal–liberalisme ligt ook duidelijk de nadruk op positieve vrijheid, wat betekent dat de overheid arrangementen biedt die mensen helpen met het nemen van beslissingen. Zo worden zij dus niet helemaal aan hun lot overgelaten. Als concreet voorbeeld: een van mijn onderzoeksvragen betreft de ethiek van een nieuwe generatie grootschalige genetische testen, waaronder whole genome sequencing. Onderzoekers kunnen nu heel snel en voor relatief weinig geld, het DNA van iemand in kaart brengen. Stel dat onze enige waarde maximale keuzevrijheid zou zijn, dan zou je bij wijze van spreken zeggen ‘we testen je, geven je een USB stickje met je DNA mee en ga je gang’. Maar de meeste mensen kunnen niets met deze informatie. Wat wij gedaan hebben, is nadenken over hoe je op een ethisch verantwoordelijke manier toch deze testen kan aanbieden. Hiervoor hebben we een model ontwikkeld dat we nu met onderzoek bij patiënten met kanker aan het testen zijn. Het model bestaat uit een aantal pakketten (of menu’s) waarin we verschillende soorten genetische informatie hebben samengebracht. Het default pakket wordt standaard aangeboden en bestaat uit informatie, waarvan we denken dat het een bijdrage levert aan het welzijn van mensen, wanneer ze beschikking krijgen over deze informatie. Dan kun je met name denken aan informatie over hoge genetische risico’s, die actionable, dat wil zeggen handelbaar zijn. Hiermee erken je dat de informatie erg complex is voor mensen, maar tegelijkertijd help je met het nemen van een autonome en zinvolle beslissing. Wat ik in dit verband heel inspirerend vind, is het werk van de gedragseconoom Barry Schwartz, die spreekt over the paradox of choice. Geen keuzevrijheid, daar worden we ongelukkig van, een beetje keuzevrijheid, dat doet ons goed en bij enorm veel keuzevrijheid, krijgen we information overload. Dus letterlijk is ons genetische keuzemenu gebaseerd op het idee dat mensen bounded rationals zijn, dat wil zeggen, binnen bepaalde grenzen kunnen jij en ik prima keuzes maken.’

Wat is binnen dit kader dan nog de negatieve vrijheid?
De negatieve vrijheid hierin is dat mensen ervoor kunnen kiezen om helemaal geen informatie te ontvangen. Als jij in de Verenigde Staten een sequence ondergaat, dan krijg je sowieso bepaalde risico’s te horen (althans dat is het nu gangbare advies). Op zo’n moment schend je in mijn ogen, de negatieve vrijheid. Iemand moet zich hieraan kunnen onttrekken. Het recht op niet weten in de gezondheidszorg, is de bescherming van negatieve vrijheid. En het zo aanbieden, middels dit soort arrangementen, is positieve autonomie: ik help jou om een zinvolle keuze te maken. En dat vind ik iets waar we met D66 voor staan: het gaat niet om het bewerkstelligen van maximale keuzevrijheid, maar om het bewerkstelligen van zinvolle keuzevrijheid.’

Met deze prikkelende boodschap tot besluit, nemen we afscheid. Buiten knoopt Bredenoord haar groene sjaal om en vertrekt richting het stadhuis; er moet immers ook nog campagne gevoerd worden.

 

Sjoerdje van Heerden is politicoloog en publicist. Ze is gepromoveerd aan de Universiteit van Amsterdam en gespecialiseerd in immigratie- en integratievraagstukken, politieke communicatie, partijcompetitie en radicaal rechts populistische partijen. Daarnaast heeft zij onderzoek gedaan op het gebied grootstedelijk beleid en huisvestingsgedrag.

Dit artikel verscheen in Idee nr. 1 2015: Alles flex?

 

 

 

Laatst gewijzigd op 22 oktober 2015