Doneer aan de Mr. Hans van Mierlo Stichting

Werk in het tweede machinetijdperk

Alhoewel ze het nog steeds afleggen tegen het succes van Thomas Piketty, deed het boek The Second Machine Age van economen Erik Brynjolfsson en Andrew McAfee vorig jaar veel stof opwaaien. In het Tweede Machinetijdperk komen de robots er aan! En dit gaat ten koste van onze banen! PvdA-minister Asscher droeg in september een vergelijkbare boodschap uit over de extreme ongelijkheid die automatisering met zich mee zal brengen. Is deze angst terecht?

Door Fabian Dekker

Als het gaat om de toekomst van ons werk, overheerst momenteel het doemdenken. Na de “Polen en Roemenen die ons werk inpikken’’, zijn het nu vooral de robots die we moeten vrezen. Lange tijd waren het vooral de laaggeschoolde arbeiders – “de onderklasse” – die moesten vrezen voor hun baan, en daarmee hun inkomen. Vanaf de andere kant van de oceaan, vanuit de Verenigde Staten, komen nu echter heel andere geluiden, die geleidelijk ook in Nederland weerklank vinden: het is vooral de middenklasse, mensen met een middelbare opleiding, die de komende jaren een onzekere en sombere tijd tegemoet gaan. Vallen de komende jaren hier inderdaad de klappen? En komt dat “omdat de robots er aankomen”?

MET HET VERSCHIJNEN van Capitalism in the Twenty-First Century van de Franse econoom Thomas Piketty (2014) en in ons land de rapportages van het Sociaal en Cultureel Planbureau (Vrooman et al. 2014) en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (Kremer et al. 2014), staat ongelijkheid weer centraal in het publieke debat. Verklaringen voor het bestaan van deze ongelijkheid worden onder andere gezocht in technologische veranderingen en globalisering van de economie. De gangbare opvatting is dat beiden leiden tot meer verschil – dat wil zeggen, ongelijkheid – tussen werkenden (De Beer 2014; Mills 2009). Als het gaat om technologie zijn laaggeschoolde werknemers vooral de verliezers uit het verleden omdat veel traditioneel handmatig werk zich gemakkelijk liet automatiseren. Denk in dit verband bijvoorbeeld aan het verdwijnen van werkgelegenheid in de Rotterdamse haven. De samenleving is onder invloed van technologie veranderd van een industriële naar een diensten- of postindustriële economie waarbij zich een aantal onmiskenbare veranderingen hebben voorgedaan in de aard van veel werkzaamheden. Dit heeft onder academici de aanduiding gekregen van skill-biased technological change (SBTC).

De laatste jaren is er steeds meer reden om aan te nemen dat niet de positie van laaggeschoolden onder druk staat maar vooral het middensegment van de arbeidsmarkt. Er wordt in dit verband gesproken over routinization-biased technological change (RBTC). Volgens deze gedachtegang maakt de opkomst van nieuwe technologie het mogelijk om vooral middelbaargeschoold werk te automatiseren, zoals routinematig kantoor- of productiewerk (Goos en Manning 2007). Voor het middensegment dreigt als gevolg van technologische ontwikkeling ‘het spook van de overbodigheid’ (Sennett 2006), terwijl anderen al refereren aan concepties als ‘the squeezed middle’ (ILO 2006). Voor laagopgeleiden zou het werk juist blijven bestaan, onder meer omdat er een nieuwe vraag ontstaat naar moeilijk te automatiseren persoonlijke dienstverlening zoals in de zorg.

Naast technologische veranderingen wordt ook globalisering verantwoordelijk gehouden voor ongelijkheid in de samenleving. Globalisering is een lastig te definiëren concept (Went 2007), maar gaat in het algemeen om processen van economische globalisering, oftewel de toegenomen economische interdependenties tussen landen en de hiermee samenhangende concurrentie. Met een toenemende  economische verwevenheid en intensivering van wereldwijde concurrentie wordt het voor bedrijven noodzakelijker om zo efficiënt mogelijk te produceren. Een van de mogelijkheden om dit te bereiken is het deels verplaatsen van arbeid naar andere bedrijven en/of landen met gemiddeld lagere loonkosten (‘outsourcing’). De algemene inschatting is dat ‘outsourcing’ vooral laagopgeleide werknemers in negatieve zin treft, hoewel voor een deel via internationale handelsstromen natuurlijk ook weer nieuwe werkgelegenheid kan ontstaan. Zien we ook hier een verandering richting de middenklasse als loser in een globaliserende wereld?

STUDIES NAAR deze specifieke relaties tussen werkgelegenheid en technologie/globalisering zijn vooralsnog schaars. Toch valt er op basis van algemeen beschikbare gegevens, zoals de Enquête Beroepsbevolking (EBB) van het Centraal Bureau voor de Statistiek, veel zinnigs te zeggen. Werkenden met een relatief laag (hoogstens basisonderwijs) en vooral middelbaar onderwijsniveau (havo, vwo, mbo) hebben hun perspectieven op de arbeidsmarkt over de periode 1970-2013 significant zien verslechteren. De groep werkenden met het relatief hoogste onderwijsniveau (wo) ziet haar perspectieven op de arbeidsmarkt juist toenemen. Deze ontwikkelingen zijn gecorrigeerd voor veranderingen in BBP. Ter controle zijn de ‘crisisjaren’ (2008-2013) uit de dataset verwijderd, maar ook dan ontstaat eenzelfde beeld. Het valt echter op dat er geen relatie is tussen het hebben van een vmbo-diploma (de groep ‘laag 2’) en de ontwikkeling in werkloosheid. Het is dus niet zo dat de positie van alle laagopgeleiden is verslechterd. Deze bevinding sluit aan bij eerder onderzoek dat laat zien dat het aandeel lagergeschoolde banen in de werkgelegenheid weliswaar afneemt, maar dat de arbeidsmarktpositie van veel laagopgeleiden niet structureel verslechtert in de tijd (Josten 2010). De belangrijkste verklaring hiervoor is dat ook het aanbod van laagopgeleiden is afgenomen (De Beer 2006). Vooralsnog lijkt het er daarom op dat de positie van een klein deel van de laagopgeleiden en vooral ook het middensegment onder druk staat. Daarentegen pakt de situatie voor hoogstopgeleiden steeds beter uit.

DE VRAAG IS NU of globalisering en technologische verandering deze verschillende ontwikkelingen in werkloosheid kan verklaren. Is er inderdaad samenhang? Technologie kan worden gemeten aan de hand van de investeringen in computers en software (in % van alle investeringen in de economie). Voor globalisering is gebruik gemaakt van de directe buitenlandse investeringen (FDI-flow als % van BBP). De bevindingen staan weergegeven in tabel 1. De cijfers in de tabel geven weer in hoeverre werkloosheid van een werkende met een bepaald onderwijsniveau samenhangt met ofwel technologische ontwikkelingen dan wel globalisering. Hoe hoger het getal des te meer samenhang.

Tabel 1 Ontwikkeling werkloosheid naar onderwijsniveau: technologie en processen van globalisering (1970-2013)

Laag1 Laag2 Midden Hoog1 Hoog2
Technologie ,35* ,28 ,33* ,18 -,62*
Globalisering -,21 -,23 -,21 -,27 -,67**

*p<,05 (onder controle van BBP; tweezijdige toetsing). Bronnen: CBS StatLine, UNCTAD (eigen bewerking)

De resultaten laten zien dat werkloosheid vooral lijkt samen te hangen met de factor technologie en in mindere mate met globalisering. In vier van de vijf gevallen is er geen significante samenhang tussen globalisering en werkloosheid. Technologie laat daarentegen wel een aantal verbanden zien. Wordt er bijvoorbeeld in een jaar meer geïnvesteerd in technologie, dan neemt het jaar erop de werkloosheid van de laagst- en middelbaaropgeleiden toe. Hoogopgeleiden zien hun positie tegen de achtergrond van een combinatie van technologie en globalisering juist verbeteren. De correlaties (de samenhang tussen variabelen) zijn voor deze laatstgenoemde groep in beide gevallen negatief wat aangeeft dat de werkloosheid afneemt.

Kortom, de risico’s van arbeid voor de bovenkant ten opzichte van het midden en het relatief laagste segment van de arbeidsmarkt zijn beperkt. Als het gaat om werkzekerheid heeft deze groep zijn positie kunnen verbeteren. Andere studies hebben vergelijkbare patronen gesignaleerd op de Nederlandse arbeidsmarkt. Zo melden Vrooman et al. (2014: 82) dat “de voorsprong van hoogopgeleiden de afgelopen jaren is gegroeid”, staan volgens Ter Weel (2012) met name “banen in het midden onder druk” en ook Goos et al. (2014) laten zien dat het aandeel banen in het middensegment van de Nederlandse werkgelegenheid afneemt sinds 1993. Al deze resultaten stroken met de moderniseringsgedachte dat arbeidsmarktsucces in toenemende mate wordt bepaald door het behaalde scholingsniveau.

DE OPGAVE DIE NU voor ons ligt is het gezamenlijk zoeken naar manieren om zoveel mogelijk mensen duurzaam te laten participeren op een arbeidsmarkt die steeds meer te maken krijgt met de mogelijkheden van nieuwe technologie. Dystopisch scenariodenken over computertechnologie en robotisering zoals dat van natuurkundige Stephen Hawking is weinig constructief. Het gaat bovendien voorbij aan de potentieel nuttige bijdrage van technologie om dreigende personeelstekorten in vergrijzende sectoren op te lossen. Maar ook de aanname dat baandestructie automatisch wordt opgevolgd door baancreatie is te simpel en kan, gezien de ontwikkelingen die zich langzaam lijken te voltrekken op de arbeidsmarkt, berusten op ‘wishful thinking’. Eerder hebben we bijvoorbeeld al behoorlijk wat middelbaar- en laaggeschoold werk zien verdwijnen. De lezer kent ze vast nog wel, de kantoorbedienden van banken en verzekeraars of de drukkers en nabewerkers in drukkerijen. We zullen onszelf daarom de vraag moeten stellen op welke wijze we in de toekomst gebruik willen maken van nieuwe technologie. Laten we dit volledig over aan de markt of maken we hier gezamenlijk afspraken over? En hoe kunnen instituties, bijvoorbeeld op het terrein van onderwijs en scholing, zo worden ingericht dat werkenden structureel aan hun kwalificaties kunnen werken zodat fricties op de arbeidsmarkt afnemen? Hoe de gevolgen van technologie en ook globalisering in de toekomst uitpakken is natuurlijk nog moeilijk in te schatten, maar dit ontslaat politici er niet van om alvast samen met ondernemers, academici en opleiders op zoek te gaan naar innovatieve strategieën om mensen zoveel mogelijk inzetbaar te houden. Wat dat betreft is de toekomst nog ongeschreven.

 

Fabian Dekker is arbeidssocioloog en verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Dit artikel verscheen in Idee nr. 1 2015: Alles flex?

 

 

Laatst gewijzigd op 22 oktober 2015