Doneer aan de Mr. Hans van Mierlo Stichting

Algemene beschouwing 1976

70129-620-457

In zijn bijdrage aan de Algemene Beschouwingen van 12 oktober 1976, liet de nieuwe partijleider van D66, Jan Terlouw, zien dat hij de betekenis van het woord ‘beschouwingen’ uitermate serieus nam. De voordracht van Terlouw was niet alleen een beoordeling van het kabinetsbeleid in algemene, brede zin, maar een exposé over de betekenis van politiek, over welvaart en techniek, materialisme, de menselijke maat (of het gebrek daaraan), en dat wat hij post-socialistisch liberalisme noemde. De voordracht is zowel een waardevol tijdsdocument als een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van het gedachtegoed van D66.

Door Daniël Boomsma

Mensen onderling
Net als D66 al eerder deed in het Beleidsplan van 1971, wijdt Terlouw uit over de invloed van de techniek en automatisering op de Nederlandse samenleving. In de jaren zeventig werd dat als een zeer urgent vraagstuk ervaren. Het zijn pessimistische beschouwingen. Terlouw heeft het over “de westerse mens” die “lijdt aan afstomping, aan automatisering, aan vervreemding van zichzelf, van zijn medemensen en van de natuur.” Terwijl de westerse cultuur zich altijd op de mens zélf richtte, ”houdt de moderne mens zich bezig met de vervolmaking van de dingen en met de kennis om deze te vervaardigen.” De late jaren zestig en de jaren zeventig waren de decennia na de oorlog waarin men zich met een unieke welvaartsgroei geconfronteerd zag. In de jaren zestig kwam het al voor dat lonen in een paar maanden tijd met tien procent stegen. Terlouw bekritiseerde – en dat was karakteristiek voor de naoorlogse (of in de oorlog geboren) generatie – het materialisme dat daar volgens hem uit zou voortkomen. ”Nu het aantal mensen dat alle materiële goederen bezit toeneemt, staan ook steeds meer mensen met lege handen, diezelfde mensen. Zij staan te meer met lege handen, omdat datgene wat de westerse cultuur aan niet-materiële waarden bezat voor een groot deel is losgeslagen.”

De materiële voorzieningen hebben iets van de immateriële waarden afgeknaagd, ook wat het dagelijks contact tussen mensen betreft. Massificatie en schaalvergroting zijn de andere kant van de medaille die welvaart en welzijn heet. De menselijke maat raakt in de knel met de voortschrijding van de technologie. ”Wie vroeger om een kopje melk verlegen zat, ging het lenen bij de buurvrouw. De techniek heeft in die situatie verandering (en verbetering) gebracht”, weet Terlouw. ”Wij hebben nu een koelkast. Maar hiermee is ook een brokje menselijk contact verloren gegaan[…] Iemand wiens kind vroeger ziekteverschijnselen vertoonde, liep in zijn ongerustheid naar de buren om raad, of om van zijn telefoon gebruikte maken. Nu heeft hij zelf telefoon en binnen tien minuten staat de ambulance voor de deur Dat is natuurlijk een grote verbetering en ik zou het niet graag missen, maar er is ook iets door weggevallen. Wij hebben verzuimd dat weggevallene opnieuw in te vullen.” Die voorbeelden hebben nu iets heel onbeduidends, maar met de voortschrijding van de tijd is dat niet te vermijden.

Terlouw durft het tragische element in de politiek te benoemen: technocratie en bureaucratie werpen vruchten af, maar we betalen er ook een prijs voor, zoals we voor een alles een prijs betalen. Ze nemen de plaats in van ”contacten tussen mensen onderling en tussen mens en cultuur”. Alles moet beter, efficiënter, goedkoper, merkte Terlouw al op, vér voordat de term economisme in de Nederlandse politiek opdook. Maar Terlouw wist: dat verschijnsel is een cultuurverschijnsel. Het zegt iets over mensen zelf, over hun verlangens en ideeën over wat een goede samenleving is. Met het verlangen naar welvaart en welzijn is een grotere nadruk op efficiëntie, geld, en sociale voorzieningen onvermijdelijk. Het is zaak om dat onvermijdelijke gevolg te kanaliseren en waar mogelijk af te zwakken. Terlouw roept op tot enig verzet, om te eisen dat technocratie en bureaucratie ondergeschikt blijven aan mensen. Misschien dat die kritiek terugblikkend wat overdreven is geweest, té zeer verbonden met de algehele sfeer van het midden van de jaren 70, maar wat die ”brokjes menselijk contact” betreft, lijkt Terlouw het bij het juiste eind te hebben gehad.

Post-socialistisch liberalisme
Van 1973 tot 1977 zat D66 in een kabinet met de PvdA. Voor Terlouw was het reden om in die kabinetsperiode zélf nog te reflecteren op wat de samenwerking met de socialisten voor D66 betekende – een vrijheid die politici zich vandaag minder permitteren. Terlouw benadrukte dat D66 in zee ging met de Partij van de Arbeid omdat deze, in ieder geval in de jaren zeventig, vernieuwingsgezind was. ”Toch is D’66 in wezen veeleer liberaal dan socialistisch,” vervolgt hij, ”in die zin dat de partij zich vooral richt op het individu en diens plaats in de samenleving”. Maar dat wil nog niet zeggen dat D66 zich vereenzelvigt met de VVD. Terlouw wijst erop dat de VVD geen immateriële cultuurkritiek durft te hebben, en de neiging heeft haar vrijheidsbegrip te vernauwen tot het vergaren van materiële welvaart. Op het meest recente congres van de VVD bevestigde fractievoorzitter Halbe Zijlstra dat, door vooruitgang te definiëren als dat ”wat er tegenwoordig allemaal in de winkel ligt”. De VVD is toch altijd meer de partij van de doeners dan de denkers geweest.

Terlouw heeft het daarna nog kort over de verhouding tussen D66 en de PvdA, en dit is het interessantste deel van zijn indrukwekkende beschouwing. De PvdA stelt op te komen voor de zwaksten in deze samenleving. D66 doet dat ook, maar het verschil tussen de twee zit in de waardering wie die zwaksten zijn. D66 probeert van de zwaksten geen uniforme groep te maken, maar heeft ”een individu-gerichte benadering”, die ”zuinig [omspringt] met oplossingen in de collectieve sfeer, want de bureaucratie die daarmee hand in hand gaat versterkt de vervreemding, verkilling en onmondigheid” van mensen. Terlouw erkent de erfenis van de sociaal-democratie, maar hij wijst erop dat nu de welvaart en gelijkheid tussen mensen zo enorm is toegenomen, er een individualisering moet plaatsvinden: dat wil zeggen, de bureaucratie en de collectieve, ‘systeembenadering’ van politieke partijen, die plaatshad na de naoorlogse welvaartshausse, moet gecorrigeerd worden door een politiek te voeren die grootschaligheid beknot en menselijk contact en betrokkenheid vergroot. Een democratie heeft altijd behoefte aan associaties en maatschappelijke verbanden om de macht en de uitbreidingsdrift van de centrale overheid te beperken. Terlouw noemt dat een ”post-socialistisch liberalisme”. Die term, en vooral de analyse erachter, spreekt ook vandaag nog tot de verbeelding.

Lees hier Jan Terlouw – Algemene en politieke beschouwingen – 12 oktober 1976

 

 

 

Laatst gewijzigd op 22 november 2018