Doneer aan de Mr. Hans van Mierlo Stichting

Congrestoespraak 1972

397px-Mierlo,_Hans_van_-_SFA001006930In 1966 begon D66 met drie doelstellingen: staatsrechtelijke hervorming en democratisering van de samenleving, vernieuwing van de partijen, en het realiseren van een minder dogmatische en meer pragmatische politiek. Die doelstellingen stonden na zes jaar, zei Hans van Mierlo in zijn congrestoespraak van 6 mei 1972 in Den Bosch, nog steeds centraal. Maar na zes jaar was wel de functie van de partij veranderd.

Door Daniël Boomsma

Ten eerste omdat er zeven zetels werden behaald in 1967, waarmee de partij niet alleen aandacht maar ook macht had verworven. En ten tweede omdat er in 1972 het samenwerkingsverband Keerpunt ’72 plaatsvond met de Partij van de Arbeid en de Politieke Partij Radikalen (PPR). Dat verband vormde in wezen een poging om door middel van een fusie tot een grote progressieve volkspartij te komen.

Onze taak
In zijn congrestoespraak wilde Van Mierlo zijn gedachtes delen over wat ”de functie van D’66 op dit moment in de politiek is of zou moeten worden, hoe onze oorspronkelijke doelstellingen zich verhouden tot de situatie van nu, en langs welke weg we zouden moeten proberen ons doel te realiseren”. Van Mierlo was zich er sterk van bewust dat een partij zich ook kan verbruiken, dat wil zeggen dat het haar doelstellingen zou kunnen verwezenlijken waardoor haar kern hol wordt. Maar na zes jaar zag Van Mierlo dat er daar nog lang geen sprake van was. Wie tussen de regels door leest, ziet dat de taak van D66 er nog steeds één was van doorbraak, van het ondergeschikt maken van de macht aan de ideeën. Keerpunt ’72 trachtte die gedachte concreet te maken.

Wat die ideeën betreft: Van Mierlo’s congrestoespraak markeert ook de acceptatie van D66 van het milieuprobleem. Begin jaren zeventig werd men zich in het Westen, en geleidelijk aan ook daarbuiten, bewust van de grenzen aan de economische groei, en de gevolgen van groei voor het milieu (de term ‘klimaatverandering’ zou pas later opkomen). Van Mierlo noemt het milieuvraagstuk ”een allesomvattende nieuwe problematiek”, die de noodzaak onderschrijft om het ”consumptiepatroon” te veranderen, om te matigen, om een nieuw ”maatschappijmodel” te ontdekken ”dat nog niet uitgevonden is door welke bestaande ideologie ook, een samenlevingsorganisatie waarin de paradox wordt waargemaakt van enerzijds een onontkoombare grotere concentratie van vitale beslissingen en tegelijkertijd een veel grotere decentralisatie, democratisering en participatie dan thans het geval is”.

Van Mierlo’s congrestoespraak straalt ook nu nog een grote urgentie uit. Niet alleen wat het milieuvraagstuk betreft, maar ook in relatie tot de taak van D66 in de Nederlandse politiek. Keerpunt ’72, waar een groot deel van de toespraak over gaat, schiep ook een bepaalde ‘alles of niets atmosfeer’ op het congres in Den Bosch. Als de samenwerking zou lukken, dan zou dat het einde van D66 betekenen, maar zouden wel veel doelstellingen verwezenlijkt zijn. Die atmosfeer, van alles of niets, was voor Van Mierlo altijd een belangrijk kenmerk van D66. Een partij is en blijft een middel; als die gedachte uit het zicht raakt, dan wordt zelfbehoud een doel op zichzelf, en raakt de kern van democratische politiek – ideeën – ondergesneeuwd. Van Mierlo wist: op een partij rust de dure plicht om om de zoveel tijd haar taak opnieuw te formuleren, om de even korte als urgente vraag te stellen: waarom bestaan wij?

Toespraak op het congres van D’66, ’s-Hertogenbosch, 6 mei 1972

Laatst gewijzigd op 22 november 2018