Doneer aan de Mr. Hans van Mierlo Stichting

Een nieuw hoofdstuk

TweedeKamerNL1986Het grondslagendebat van eind jaren zeventig had bij veel leden van D66 een gevoelige snaar geraakt. Niet alleen bleek de behoefte groot om duidelijker positie te nemen in het politieke spectrum, ook achtte steeds meer D66’ers het vruchtbaar om een onafhankelijker positie in te nemen positie, een positie met historisch gewicht. Niet een profiel of een houding ten opzichte van de andere partijen, of een ‘vierde stroming’ naast VVD, PvdA, en CDA, maar hoeder van een ideologische erfenis, wellicht zelfs met, zoals sommigen wilden, een nieuwe naam.

Door Daniël Boomsma

Tot het eerste Paarse kabinet zou de discussie over ideologie en historische wortels voortduren. Wat begin jaren tachtig in ieder geval bleek, was dat de tijd dat de tijd van het met het pistool op de borst kiezen voor de PvdA definitief achter de rug was. “Haal dan de trekker maar over”,  leek de gedachte nu, zoals Alexander Pechtold het eens in een radio-interview zei.

Toen de discussie over ideologie en signatuur in volle gang was, schreef Aad Nuis een pamflet in wat de oude stijl van D66 genoemd zou kunnen worden. Een pamflet dat slechts schetsmatig de positie van de partij in het politieke spectrum beschrijft, en vooral benadrukt hoezeer de partij haar signatuur ontleend aan haar voorstellen en haar politiek handelen. Een nieuw hoofdstuk, door anderen Het Democratisch Manifest genoemd, was een uitwerking van “de positie van D66 in 1983”, maar schermt niet een definitieve naam voor die positie. Het opent met een profiel van de partij, bespreekt vervolgens een ‘profiel van de samenleving’ – van de economie en de verzorgingsstaat tot internationale betrekkingen – maar blijft op de vlakte wat de ideologische grondslagen betreft. Ook weerlegt Nuis in het pamflet nog misverstanden, bijvoorbeeld het inmiddels platgereden verwijt dat D66 een ‘kil individualisme’ – wat dat ook mag betekenen – zou voorstaan. “Onze open samenleving  is geen bandeloze samenleving. Wij zijn ervan overtuigd dat zelfontplooiing alleen mogelijk is als men zich bindt: aan mensen, aan normen, aan een zelfgekozen opdracht. Dat kan een ongewone keus zijn of een heel gewone, een vernieuwende of traditionele. […] Dat is ons antwoord op het verwijt dat wij een kil individualisme voorstaan, een samenleving die als los zand aan elkaar hangt.” In bijna humanistische bewoordingen vervolgt Nuis dat het niet zo is dat D66 “de zingeving van een bezield verband miskennen. Integendeel, wij willen er de glans aan geven van de vrijwilligheid en de dofheid van toeval en dwang eraan ontnemen.”

Democratisch boven alles
Aad Nuis was niet een man van de politieke ideologieën. Vòòr alles achtte hij D66 een democratische partij en, zoals ook in het grondslagen document van 1978 staat, verstond hij daar meer onder dan alleen een plicht om het bestel te onderhouden. “Democratie is meer dan het toepassen van spelregels. Zij kan alleen gedijen in een democratische politieke cultuur, waarin een klimaat van openheid en verdraagzaamheid heerst.” Realistische hervormers, zo doopte Nuis de D66’er van 1983. Dat realisme had ook betrekking op de weerbaarheid van de democratie. Nuis echoot weer het grondslagendocument: democraat zijn impliceert  ook het verwerpen van “stromingen die tot in hun wortels ondemocratisch zijn. Democratische verdraagzaamheid eindigt waar de verdraagzaamheid zelf wordt aangevallen, waar de fundamentele gelijkwaardigheid van alle mensen wordt ontkend en waar geweld de plaats van vrijheid en recht opeist. Daartegen is verweer geboden. Een democratie die niet de moed heeft zichzelf in stand te houden is de naam democratie niet waard”. De lezer van nu kan weinig anders dan bevestigen dat die woorden niets aan relevantie en kracht hebben ingeboet.

Een nieuw hoofdstuk maakte een levendige discussie los. In een stuk in het Idee’66 (inmiddels Idee), het blad van het wetenschappelijk bureau, benadrukte Nuis echter dat, ook in het licht van de discussie over ideologische wortels, van taal niet teveel moet worden verwacht. Nuis was, naast politicus, schrijver en dichter, en hij was zich sterk bewust van de kracht van taal. Maar hij wist ook wat haar grenzen waren. Een pamflet is een pamflet, niet een ‘eureka-moment’ of de verlichting waar zo smachtend is op gewacht. D66 is altijd wat sceptisch geweest ten opzichte van herbronning of definitieve positionering, anders dan bijvoorbeeld de Partij van de Arbeid waar de verwachtingen van oudsher een stuk hoger liggen. Nuis had daarom ook bedenkingen bij het nut van een nieuwe partijnaam. “Die discussie wordt hier en daar zo verhit gevoerd”, schreef hij in Idee’66, “dat zo’n voorgestelde Nieuwe Naam – het doet er niet toe welke – de allure krijgt van een steen der wijzen, of de Alef in het verhaal van Borges: een geheimzinnige Plek waarin, als je maar goed kijkt, het hele universum te vinden is. Voorvechters van zo’n naam wekken soms de indruk dat uit dat ene woord een compleet partijprogramma dwingend zou kunnen worden afgeleid, inclusief de definitieve duidelijkheid omtrent de plaats van de partij in het politieke krachtenveld. Dat is magisch denken, en het enige waar het toe kan leiden is heftige ruzie om niets.” Dat uiteindelijk alleen de apostrof verdween uit de partijnaam, is wat dat betreft veelzeggend.

Lees hier Het democratisch manifest – Een nieuw hoofdstuk.

Laatst gewijzigd op 22 november 2018