Doneer aan de Mr. Hans van Mierlo Stichting

Weerstand tegen vrijhandel: niet economisch, maar cultureel

vanderwaal_dekosterBezwaren tegen vrijhandelsverdragen komen niet voort uit een zwakke economische positie van laagopgeleiden, maar uit een verschil in cultureel kapitaal. Herverdeling van de economische vruchten van vrijhandel zal het enthousiasme voor een verdrag als TTIP daarom niet vergroten.

 

Door Jeroen van der Waal en Willem de Koster

Vrijhandelsverdragen zijn vaak omstreden. Sommigen juichen het toe dat handel in goederen en diensten vrijelijk over landsgrenzen gaat. Anderen hebben daar grote bedenkingen bij. In Nederland en andere Europese landen speelt zo’n botsing momenteel rond het Transatlantic Trade and Investment Partnership (TTIP), net als eerder rond de ‘Bolkesteinrichtlijn’. En begin jaren negentig van de vorige eeuw woedden er in Amerika verhitte debatten over de North American Free Trade Agreement (NAFTA).

Bij maatschappelijk verzet tegen vrijhandelsverdragen spelen hoogopgeleiden vaak een prominente rol. Denk aan politici, kritische academici en voorlieden van sociale bewegingen. Maar wie kijkt naar een dwarsdoorsnede van de bevolking ziet dat de grootste weerstand tegen vrijhandel juist te vinden is onder laagopgeleiden. Recent onderzoek (Van der Waal & De Koster, 2015a) laat zien dat weerstand tegen vrijhandel onder laagopgeleiden niet op zichzelf staat: het is een concrete uitingsvorm van een bredere cultuuroorlog die woedt tussen Nederlandse laag- en hoogopgeleiden. Laagopgeleide nationalisten botsen met hoogopgeleide kosmopolieten, en dit heeft grote politieke implicaties. In deze bijdrage schetsen wij de contouren en wortels van deze culturele opleidingskloof. Vervolgens gaan we in op haar politieke implicaties in het algemeen, en die voor een kosmopolitische partij als D66 in het bijzonder.

Tegengestelde ideeën
Het bestaan van een culturele kloof tussen laag- en hoogopgeleiden is zeker geen nieuw inzicht. Al sinds Lipsets (1959) beroemde analyse in de jaren vijftig wordt in westerse landen, waaronder Nederland (De Koster & Van der Waal, 2014), steeds weer hetzelfde patroon gevonden: laagopgeleiden hechten gemiddeld genomen veel meer belang aan een rigide sociaal-culturele orde dan hoogopgeleiden. Eerstgenoemden zijn veel minder geporteerd van culturele diversiteit in de breedste zin van het woord. Deze ‘autoritaire’ houding manifesteert zich afhankelijk van tijd en plaats op verschillende manieren. Of het nu, om wat voorbeelden te noemen, gaat over docenten met van de heersende politiek afwijkende ideeën in de jaren vijftig en zestig, hippies en Damslapers in de jaren zestig en zeventig, of vluchtelingen en het problematiseren van Zwarte Piet anno nu: laagopgeleiden beschouwen dit veel meer als ongewenste ordeverstoringen dan hoogopgeleiden. Zij zijn dan ook de grootste voorstanders van bijvoorbeeld autoritaire opvoedingsstijlen en zware straffen in het algemeen en de doodstraf in het bijzonder. Uit ons onderzoek blijkt dat de grotere weerstand tegen vrijhandel onder laagopgeleiden onderdeel is van deze culturele opleidingsbreuklijn. Zij verzetten zich tegen de culturele diversiteit en de aantasting van de nationale orde die vrijhandel met zich meebrengt (Van der Waal & De Koster, 2015a).

Deze culturele opleidingsbreuklijn is de afgelopen decennia steeds belangrijker geworden voor politieke tegenstellingen in Nederland. Een belangrijke reden daarvoor is simpelweg de toename van het aantal hoogopgeleiden (Bovens & Wille, 2014). Maakten zij tot de jaren zeventig slechts enkele procenten van de bevolking uit, inmiddels is dit meer dan een derde. Dientengevolge staan tegenwoordig veel meer dan voorheen grote bevolkingsgroepen met tegengestelde ideeën over culturele diversiteit en sociale orde tegenover elkaar.

De culturele breuklijn heeft in Noordwest-Europese landen als Nederland een ander karakter dan in de Verenigde Staten. In de bekende Amerikaanse culture wars staan naast de hierboven aangehaalde culturele vraagstukken ook thema’s centraal waarover een grote groep streng-religieuzen radicaal botst met een substantiële groep seculieren. Denk bijvoorbeeld aan homoseksualiteit, abortus en euthanasie (vgl. De Koster & Van der Waal, 2006). Maar in een verregaand geseculariseerd land als Nederland denkt het overgrote deel van de bevolking, op de leden van enkele religieuze minderheidsgroepen na, progressief over (homo)seksualiteit, abortus en euthanasie (Houtman et al., 2008). Op dit vlak verschillen laag- en hoogopgeleiden nog amper van elkaar (De Koster et al., 2010). De Nederlandse cultuuroorlog is daarom geen uitingsvorm van een conflict tussen religieuzen en niet-religieuzen, maar behelst een botsing over vraagstukken van culturele diversiteit en sociale orde waarin laag- en hoogopgeleiden tegenover elkaar staan. Maar waarom zijn die groepen het hierover eigenlijk zo hartgrondig met elkaar oneens?

 

‘De culturele opleidingsbreuklijn waarin laagopgeleide nationalisten tegenover hoogopgeleide kosmopolieten staan is geen strijd tussen haves en have-nots, maar een strijd tussen milieus met veel en weinig cultureel kapitaal’

 

Cultureel kapitaal
Verschillende onderzoeken wijzen uit dat verschillen in cultureel kapitaal tussen laag- en hoogopgeleiden cruciaal zijn (De Koster & Van der Waal, 2014; Manevska et al., 2010; Van der Waal & De Koster, 2015a). Cultureel kapitaal betreft de mate waarin men de levensstijl van de culturele elite waardeert, vertoont en beheerst. Dit concept is aanvankelijk ontwikkeld om te begrijpen hoe ongelijkheid via het onderwijs wordt doorgegeven (Bourdieu & Passeron, 1977). Kinderen uit milieus met veel cultureel kapitaal presteren beter in het onderwijs omdat zij zich daar volgens ‘de regels van het spel’ gedragen. De ‘gepaste’ houdingen, gedragingen en opvattingen binnen instituties als het onderwijs komen namelijk overeen met de elitaire of gesanctioneerde cultuur. Kinderen uit milieus met weinig cultureel kapitaal voelen zich daar daarom juist minder goed op hun plek.

Cultureel kapitaal beslaat een breed palet aan opvattingen en gedragingen dat via socialisering wordt doorgegeven. Wat eronder valt is natuurlijk tijd- en plaatsgebonden, maar verandert niet van dag tot dag. We zien dat een kosmopolitische houding een steeds belangrijker onderdeel is geworden in westerse landen als Nederland. In hedendaagse opvoedingsrepertoires in hoogopgeleide milieus wordt de kritische bevraging van allerlei culturele scheidslijnen, en daarmee de waardering van culturele diversiteit, impliciet en expliciet doorgegeven (Van der Waal & De Koster, 2015b). En hoewel cultureel kapitaal soms gepaard gaat met economisch kapitaal, blijkt kosmopolitisme weinig met dat laatste te maken te hebben. Onderzoek toont aan dat de kosmopolitische houding die onder leden van hoogopgeleide milieus wordt gecultiveerd niet te verklaren is uit bijvoorbeeld hun hogere inkomens of grotere baanzekerheid (De Koster & Van der Waal, 2014; Manevska et al., 2010; Van der Waal & De Koster, 2015a). Twee voorbeelden illustreren dit algemene patroon.

Zo combineren heel wat mensen veel cultureel kapitaal juist met een zwakke economische positie. Denk hierbij aan mensen in de cultuursector en het onderwijs, die vaak ook tot de achterban van kosmopolitische politieke partijen als D66 horen. Het omgekeerde komt ook voor: behoorlijk wat mensen combineren weinig cultureel kapitaal met een sterke economische positie. Denk aan de zogenaamde nouveaux riches, die vaak bovengemiddeld veel affiniteit hebben met nationalistische politieke stromingen en partijen. Kortom, de culturele opleidingsbreuklijn waarin laagopgeleide nationalisten tegenover hoogopgeleide kosmopolieten staan is geen strijd tussen haves en have-nots, maar een strijd tussen milieus met veel en weinig cultureel kapitaal. Deze breuklijn is dus anders van karakter en heeft heel andere politieke implicaties dan de klassieke ‘klassenstrijd’ waarin economisch zwakken tegenover economisch sterken staan, en waarbij de herverdeling van inkomen en vermogen het centrale twistpunt is.

Politieke implicaties
De verschillen in waardering van vrijhandel tussen laag- en hoogopgeleiden zijn, kortom, onderdeel van een cultuuroorlog in de polder, die is geworteld in verschillen in cultureel kapitaal. Dit heeft verschillende politieke implicaties. Ten eerste lijken op economische leest geschoeide interventies weinig kansrijk. In eerdere vrijhandelsdiscussies opperden zowel beleidsadviseurs als wetenschappers om weerstand tegen vrijhandel onder laagopgeleiden te dempen door hen op een of andere manier te compenseren voor de negatieve economische gevolgen daarvan. In hedendaagse debatten over TTIP wordt een soortgelijk idee naar voren gebracht. De zwakke economische positie van laagopgeleiden ligt echter niet ten grondslag aan hun afkeer van vrijhandel. Het valt daarom niet te verwachten dat economische maatregelen, zoals herverdeling van de economische vruchten van vrijhandel, hun enthousiasme voor vrijhandel zullen vergroten.

Ten tweede zijn er implicaties voor politieke partijen. De cultuuroorlog wordt daar primair gearticuleerd door de tegenstelling tussen nationalistische partijen als de PVV en de SP enerzijds en kosmopolitische partijen als D66 en GroenLinks anderzijds. Evenals de andere aspecten van die culturele breuklijn blijkt weerstand tegen vrijhandel onder de aanhang van nationalistische partijen het grootst en onder de aanhang van kosmopolitische partijen het kleinst (Van der Waal & De Koster, 2016). Als tijdens verkiezingen vrijhandelsvraagstukken centraal staan, hebben deze partijen een additioneel agendapunt om kiezers aan zich te binden. Dit was ook zichtbaar in de verkiezingsstrijd in de Verenigde Staten, waar Donald Trump zijn nationalistische en Hillary Clinton haar kosmopolitische achterban mobiliseerde door vrijhandel respectievelijk te problematiseren en te omarmen. Hierbij moet wel een belangrijke kanttekening worden geplaatst, omdat ook niet-culturele aspecten van vrijhandelsverdragen in het maatschappelijke debat kunnen worden benadrukt. Als het daarbij, zoals in het huidige debat over TTIP, gaat om gevaren voor het milieu, uitholling van de democratie en negatieve gevolgen voor ontwikkelingslanden, kan steun voor vrijhandel onder kosmopolitische partijen als D66 hun hoogopgeleide achterban juist van hen vervreemden. Dat geldt echter vanzelfsprekend niet als andere niet-culturele gevolgen juist centraal komen te staan, zoals welvaartsgroei en grotere werkgelegenheid.

Ten derde betekent de conclusie dat botsende opvattingen over vrijhandel onderdeel zijn van de bredere culturele opleidingsbreuklijn dat de ideologische competitie tussen nationalistische en kosmopolitische partijen nog verder uitkristalliseert (De Koster et al., 2013). Naast de Europese Unie, immigratie en criminaliteitsbestrijding is vrijhandel nog een vraagstuk waarover deze partijen lijnrecht tegenover elkaar staan. Dit betekent voorts dat de invoering van vrijhandelsverdragen, net als voortschrijdende Europese integratie en immigratie, een verder polariserende werking kan hebben. Het onder laagopgeleiden toch al niet geringe wantrouwen in de gevestigde politiek in het algemeen, en kosmopolitische partijen en politici in het bijzonder, kan hierdoor verder worden aangewakkerd (Van der Waal et al., 2016). Vrijhandelsvraagstukken zijn daarmee niet alleen onderdeel van de cultuuroorlog tussen laag- en hoogopgeleiden die Nederland vandaag de dag kenmerkt; ze kunnen deze breuklijn ook politiek saillanter maken.

 

Jeroen van der Waal is universitair hoofddocent sociologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij doet onderzoek naar de verbinding van sociale stratificatie met waardeoriëntaties, stemgedrag en gezondheidsverschillen in westerse landen.

Willem de Koster is universitair hoofddocent cultuursociologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Zijn onderzoek richt zich op de ontwikkeling, achtergronden en gevolgen van cultureel conflict en onbehagen in westerse landen.

 

Literatuur

Bourdieu, P. & J-C. Passeron (1977). Reproduction in education, society, and culture. Vertaald door R. Nice. Londen en Beverly Hills, CA: Sage.

Bovens, M. & A. Wille (2014). Diplomademocratie: Over de spanning tussen meritocratie en democratie. Amsterdam: Prometheus.

De Koster, W., P. Achterberg, D. Houtman & J. van der Waal (2010). Van God los. Post-Christelijk cultureel conflict in Nederland. Sociologie, 6(3): 27-49.

De Koster, W., P. Achterberg & J. van der Waal (2013). Nieuw rechts en de verzorgingsstaat: Verzorgingsstaatchauvinisme en -populisme onder het autochtone Nederlandse electoraat. Sociologie, 9(2): 151-72.

De Koster, W. & J. van der Waal (2006). Moreel conservatisme en autoritarisme theoretisch en methodisch ontward: Culturele waardeoriëntaties in de politieke sociologie. Mens & Maatschappij, 81(2): 121-41.

De Koster, W. & J. van der Waal (2014). Botsende opvattingen over etnische diversiteit en sociale orde: Hoe verschillen tussen lager- en hogeropgeleiden te verklaren? In M. Bovens, P. Dekker & W. Tiemeijer (red.), Gescheiden werelden? Een verkenning van sociaal-culturele tegenstellingen in Nederland, 165-90. Den Haag: SCP en WRR.

Houtman, D., P. Achterberg & J.W. Duyvendak (2008). De verhitte politieke cultuur van een ontzuilde samenleving. In B. Snels & N Thijssen (red.), De grote kloof: Verhitte politiek in tijden van verwarring, 61-80. Amsterdam: Boom.

Lipset, S.M. (1959). Democracy and Working-Class Authoritarianism. American Sociological Review, 24(4): 482-501.

Manevska, K., J. van der Waal, P. Achterberg, D. Houtman & W. de Koster (2010). “Sommigen zijn gelijker dan anderen”: Economisch egalitarisme en verzorgingsstaats-chauvinisme in Nederland. Sociologie, 6(1): 3–25.

Van der Waal, J. & W. de Koster (2015a). Why do the less educated oppose trade openness? A test of three explanations in the Netherlands. European Journal of Cultural and Political Sociology, 2(3-4): 313-44.

Van der Waal, J. & W. de Koster (2015b). Naar een analytische stratificatiesociologie. Klasse, status en ongelijkheid in Nederland. Sociologie, 11(3/4): 372-401.

Van der Waal, J. & W. de Koster (2016). Populism & Protectionism. Mapping and Interpreting the Opposition to Trade Openness among Leftist and Rightist Populist Constituencies. Paper gepresenteerd op het Politicologenetmaal (2-3 juni), Brussel, België.

Van der Waal, J., W. de Koster & J. van Noord (2016). Het onbehagen van de middengroepen in Nederland tussen 1970 en 2012. In G. Engbersen, M. Kremer & E. Schrijvers (red.), Middenklasse(n) onder druk? Den Haag: WRR.

Laatst gewijzigd op 15 december 2016